biologie

Thema 3 Ordening

Basisstof 1 Organismen ordenen

Samenvatting

In deze les leer je hoe biologen organismen ordenen in vier grote groepen: bacteriën, schimmels, planten en dieren. Organismen worden ingedeeld door te kijken naar overeenkomsten en verschillen in hun celkenmerken. Ook leer je wanneer organismen tot dezelfde soort behoren. Deze kennis helpt je om de enorme hoeveelheid organismen op aarde overzichtelijk te maken.

Lesdoelen

Lesinhoud

Organismen ordenen

Biologen gebruiken kenmerken om organismen in groepen in te delen. In vertakkingsschema’s zie je hoe organismen steeds verder worden onderverdeeld op basis van hun kenmerken.
Alle organismen hebben een celmembraan en cytoplasma. Op drie kenmerken verschillen de organismen van elkaar:

De vier rijken

Biologen delen alle organismen in vier grote rijken:

  1. Bacteriën
    • Eencellig
    • Wél celwand
    • Geen celkern
    • Geen bladgroenkorrels
  2. Schimmels
    • Eencellig of meercellig
    • Wél celwand
    • Wél celkern
    • Geen bladgroenkorrels
  3. Planten
    • Eencellig of meercellig
    • Wél celwand
    • Wél celkern
    • Wél bladgroenkorrels
  4. Dieren
    • Meercellig
    • Geen celwand
    • Wél celkern
    • Geen bladgroenkorrels

Soorten

Organismen behoren tot dezelfde soort als ze samen vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen.
Een paard en een zebra kunnen bijvoorbeeld wel een nakomeling krijgen (paardbra), maar deze is meestal onvruchtbaar. Daarom horen ze niet tot dezelfde soort.

Praktische toepassingen


Controlevragen en antwoorden

  1. Vraag: Welke twee celonderdelen heeft elke cel van elk organisme?
    Antwoord: Een celmembraan en cytoplasma.

  2. Vraag: Wat is het belangrijkste kenmerk dat bacteriën onderscheidt van de andere rijken?
    Antwoord: Bacteriën hebben geen celkern.

  3. Vraag: Welke organismen hebben bladgroenkorrels?
    Antwoord: Planten.

  4. Vraag: Wanneer behoren organismen tot dezelfde soort?
    Antwoord: Als ze samen vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen.

  5. Vraag: Welke twee rijken bevatten zowel eencellige als meercellige organismen?
    Antwoord: Schimmels en planten.


Toetsvragen

  1. Noem de vier rijken waarin biologen organismen indelen.
  2. Welke drie celkenmerken verschillen bij de rijken?
  3. Welk kenmerk mist een bacterie dat planten, dieren en schimmels wel hebben?
  4. Welke organismen hebben wél een celwand maar geen bladgroenkorrels?
  5. Leg uit waarom een paard en een zebra niet tot dezelfde soort behoren.
  6. Wat is het voordeel van een vertakkingsschema?
  7. Zijn dieren eencellig of meercellig?
  8. Wat is cytoplasma?
  9. Bij welk rijk horen organismen met bladgroenkorrels?
  10. Wat betekent ‘vruchtbare nakomelingen’?

Referentie

Bronnen: Biologie voor Jou, Thema 3 – Basisstof 1 Organismen ordenen (3at2.pdf).