biologie

Thema 3 Ordening

Basisstof 5 Geleedpotigen en gewervelden

Samenvatting

In deze les leer je twee grote groepen binnen het dierenrijk kennen: geleedpotigen en gewervelden. Je ontdekt hoe je geleedpotigen kunt herkennen aan hun uitwendig skelet en het aantal poten. Ook leer je dat gewervelden een inwendig skelet met een wervelkolom hebben. Beide groepen bestaan uit verschillende soorten dieren, zoals insecten, spinachtigen, kreeftachtigen, vissen, reptielen en zoogdieren. Je leert welke kenmerken bij welke groep horen en hoe je dieren kunt indelen door goed te kijken naar bouw, huid, poten en voortplanting.

Lesdoelen


Lesinhoud

Geleedpotigen

Wat zijn geleedpotigen?

Geleedpotigen hebben:

Geleedpotigen vormen de grootste groep van het dierenrijk. Meer dan 1 miljoen soorten behoren tot deze groep.

Vier groepen geleedpotigen

  1. Veelpotigen
    • meer dan 10 poten
    • voorbeelden: miljoenpoot, duizendpoot
  2. Kreeftachtigen
    • 10 poten
    • leven vaak in water
    • voorbeelden: garnaal, kreeft
  3. Spinachtigen
    • 8 poten
    • voorbeelden: spin, teek
  4. Insecten (zespotigen)
    • 6 poten
    • vaak vleugels
    • lijf bestaat uit kop, borststuk en achterlijf
    • voorbeelden: vlieg, mier, vlinder

Voorbeeld uit het boek

Een kever moet regelmatig vervellen omdat zijn uitwendig skelet niet meegroeit.
Een spin kun je herkennen aan de acht poten.
Een vlieg is een insect, omdat hij zes poten heeft.


Gewervelden

Wat zijn gewervelden?

Gewervelden hebben:

Vijf groepen gewervelden

  1. Vissen
    • ademen met kieuwen
    • huid met schubben en slijm
    • meestal koudbloedig
    • voortplanting: eieren zonder schaal
  2. Amfibieën
    • larven hebben eerst kieuwen; volwassen dieren ademen met longen en huid
    • huid is slijmerig
    • koudbloedig
    • voortplanting: eieren zonder schaal (in het water)
  3. Reptielen
    • ademen met longen
    • huid met droge schubben
    • koudbloedig
    • eieren met een leerachtige schaal
  4. Vogels
    • longen
    • huid bedekt met veren
    • warmbloedig
    • eieren met kalkschaal
  5. Zoogdieren
    • longen
    • huid met haren
    • warmbloedig
    • levendbarend (jong groeit in het moederlichaam)

Voorbeelden uit het boek


Praktische toepassingen


Controlevragen en antwoorden

  1. Vraag: Wat voor skelet hebben geleedpotigen?
    Antwoord: Een uitwendig skelet (pantser).

  2. Vraag: Hoe kun je insecten herkennen?
    Antwoord: Ze hebben zes poten.

  3. Vraag: Welke dieren behoren tot de spinachtigen?
    Antwoord: Dieren met acht poten, zoals spinnen en teken.

  4. Vraag: Wat is een kenmerk van alle gewervelden?
    Antwoord: Ze hebben een inwendig skelet met een wervelkolom.

  5. Vraag: Noem een kenmerk van reptielen.
    Antwoord: Ze hebben droge schubben en zijn koudbloedig.


Toetsvragen

  1. Waarom moeten geleedpotigen vervellen?
  2. Hoeveel poten heeft een kreeftachtige?
  3. Noem één verschil tussen een insect en een spin.
  4. Wat zijn segmenten bij geleedpotigen?
  5. Wat is het skelet van een kever?
  6. Noem de vijf groepen gewervelden.
  7. Hoe ademen vissen?
  8. Wat is een kenmerk van vogels?
  9. Waarom zijn amfibieën afhankelijk van water?
  10. Wat is een levendbarend dier?