biologie

Thema 3 Erfelijkheid en evolutie

Basisstof 1 Genotype en fenotype

Samenvatting

In deze les leer je wat genotype, fenotype, gen en allel betekenen. Je ontdekt hoe erfelijke informatie wordt doorgegeven via chromosomen en hoe die informatie samen met het milieu bepaalt hoe een organisme eruitziet. Je leert ook dat je genotype al vaststaat bij bevruchting en je hele leven hetzelfde blijft, terwijl je fenotype kan veranderen.

Lesdoelen


Lesinhoud

Chromosomen, genen en allelen

In elke lichaamscel zit een celkern met 46 chromosomen. Chromosomen bestaan uit DNA, en hierop liggen de genen: stukjes DNA die informatie bevatten voor één erfelijke eigenschap.
Van elk gen heb je twee allelen: één van je vader en één van je moeder. Deze allelen kunnen gelijk zijn of van elkaar verschillen.

Voorbeeld:

Deze twee vormen van hetzelfde gen noem je allelen.

Wat is het genotype?

Het genotype bestaat uit ál je erfelijke informatie.
Het ontstaat op het moment dat een eicel wordt bevrucht door een zaadcel. Dan komen de chromosomen van beide ouders samen en vormt elk gen opnieuw een paar allelen.

Belangrijk:

Wat is het fenotype?

Het fenotype zijn alle eigenschappen die je kunt zien of waarnemen, zoals haarkleur, oogkleur, bloeddruk, karakter of de bouw van je organen.

Het fenotype wordt bepaald door:

  1. Genotype (je erfelijke informatie)
  2. Milieu (invloeden van buitenaf), zoals voeding, zonlicht, verzorging of opvoeding

Daarom kan het fenotype veranderen, terwijl het genotype gelijk blijft.
Voorbeeld: als je je haar verft, verandert alleen het fenotype; je genotype blijft hetzelfde, dus je natuurlijke haarkleur groeit weer terug.

Invloeden uit het milieu

Het milieu kan ervoor zorgen dat eigenschappen veranderen zonder dat het DNA verandert.
Voorbeelden:


Praktische toepassingen


Controlevragen en antwoorden

  1. Vraag: Wat is een gen?
    Antwoord: Een stukje DNA dat de informatie bevat voor één erfelijke eigenschap.

  2. Vraag: Wanneer ontstaat je genotype?
    Antwoord: Bij de bevruchting, wanneer de chromosomen van eicel en zaadcel samenkomen.

  3. Vraag: Wat bepaalt het fenotype van een organisme?
    Antwoord: Het fenotype ontstaat door het genotype én invloeden uit het milieu.

  4. Vraag: Verandert je genotype als je je haar verft?
    Antwoord: Nee, alleen het fenotype verandert; het genotype blijft hetzelfde.

  5. Vraag: Wat is een allel?
    Antwoord: Een variant van een gen (bijvoorbeeld bruine of blauwe oogkleur).


Toetsvragen

  1. Wat is het verschil tussen genotype en fenotype?
  2. Waaruit bestaan chromosomen?
  3. Wat zijn allelen?
  4. Wanneer blijft een eigenschap onveranderd, zelfs als het uiterlijk verandert?
  5. Hoe ontstaan chromosomenparen in een bevruchte eicel?
  6. Waarom zien mensen met hetzelfde genotype er soms toch verschillend uit?
  7. Leg uit waarom een eigenschap zoals lengte wordt beïnvloed door zowel genotype als milieu.
  8. Noem twee voorbeelden van invloeden uit het milieu die het fenotype kunnen veranderen.
  9. Hoe kun je zien dat het fenotype van een eigenschap veranderbaar is, maar het genotype niet?
  10. Waarom hebben alle lichaamscellen hetzelfde genotype?

Referentie

Bron: Geüpload document Thema 3 – Basisstof 1 Genotype en fenotype.