In deze les leer je hoe je een kruisingsschema maakt en hoe je kunt voorspellen welke genotypen en fenotypen nakomelingen kunnen krijgen. Je ontdekt hoe dominante en recessieve allelen in volgende generaties terugkomen en hoe kansen en verhoudingen ontstaan. Door kruisingen te begrijpen kun je verklaren waarom nakomelingen soms op hun ouders lijken en soms niet.
Na deze les kun je:
Wanneer twee organismen samen nakomelingen krijgen noemen we dat kruisen.
In een kruising gebruik je drie generaties:
In alle voorbeelden in dit hoofdstuk gaat het om één erfelijke eigenschap per kruising.
Voorbeeld:
Bij labradors is zwart (A) dominant over geel (a).
Een homozygote zwarte hond heeft genotype AA.
Een gele hond heeft genotype aa.
Kruising P:
AA × aa
Geslachtscellen bevatten altijd één allel per gen.
Alle nakomelingen krijgen dan genotype Aa.
Fenotype:
Alle F₁-honden zijn dus zwart.
Nu worden twee F₁-honden gekruist:
Aa × Aa
Geslachtscellen: A of a
| A | a | |
|---|---|---|
| A | AA | Aa |
| a | Aa | aa |
Genotypeverhouding F₂:
1 AA : 2 Aa : 1 aa
Fenotypeverhouding F₂:
Dit zijn de klassieke verhoudingen bij een kruising van twee heterozygoten.
Bij grote aantallen nakomelingen komt de kansverdeling steeds dichter bij:
Bij kleine aantallen zie je soms andere aantallen, maar de kans blijft gelijk.
Wat betekenen de letters P, F₁ en F₂ in een kruising?
Antwoord: P = ouders, F₁ = eerste nakomelingen, F₂ = nakomelingen van F₁.
Hoeveel allelen bevat een geslachtscel van één gen?
Antwoord: Eén allel.
Wat is de genotypeverhouding in F₂ bij Aa × Aa?
Antwoord: 1 AA : 2 Aa : 1 aa.
Wanneer ontstaat er een fenotypeverhouding van 3 : 1?
Antwoord: Bij een kruising van twee heterozygoten voor een dominante eigenschap.
Wat kun je met een kruisingsschema voorspellen?
Antwoord: Welke genotypen en fenotypen de nakomelingen kunnen hebben.
Gebaseerd op Thema 3, Basistof 3 – Kruisingen uit het geüploade document.