biologie

Thema 3 Erfelijkheid en Evolutie

Basistof 3 Kruisingen

Samenvatting

In deze les leer je hoe je een kruisingsschema maakt en hoe je kunt voorspellen welke genotypen en fenotypen nakomelingen kunnen krijgen. Je ontdekt hoe dominante en recessieve allelen in volgende generaties terugkomen en hoe kansen en verhoudingen ontstaan. Door kruisingen te begrijpen kun je verklaren waarom nakomelingen soms op hun ouders lijken en soms niet.

Lesdoelen

Na deze les kun je:


Lesinhoud

Wat is een kruising?

Wanneer twee organismen samen nakomelingen krijgen noemen we dat kruisen.
In een kruising gebruik je drie generaties:

In alle voorbeelden in dit hoofdstuk gaat het om één erfelijke eigenschap per kruising.


Uitleg stap voor stap: een kruisingsschema maken

Stap 1 – Bepaal fenotype en genotype van de ouders (P)

Voorbeeld:
Bij labradors is zwart (A) dominant over geel (a).
Een homozygote zwarte hond heeft genotype AA.
Een gele hond heeft genotype aa.

Kruising P:
AA × aa


Stap 2 – Bepaal welke allelen in de geslachtscellen zitten

Geslachtscellen bevatten altijd één allel per gen.


Stap 3 – Bepaal de genotypen en fenotypen van F₁

Alle nakomelingen krijgen dan genotype Aa.

Fenotype:

Alle F₁-honden zijn dus zwart.


Stap 4 – Maak het kruisingsschema voor F₂

Nu worden twee F₁-honden gekruist:
Aa × Aa

Geslachtscellen: A of a

  A a
A AA Aa
a Aa aa

Genotypeverhouding F₂:
1 AA : 2 Aa : 1 aa

Fenotypeverhouding F₂:

Dit zijn de klassieke verhoudingen bij een kruising van twee heterozygoten.


Waarom zie je deze verhoudingen?

Bij grote aantallen nakomelingen komt de kansverdeling steeds dichter bij:

Bij kleine aantallen zie je soms andere aantallen, maar de kans blijft gelijk.


Praktische toepassingen


Controlevragen en antwoorden

  1. Wat betekenen de letters P, F₁ en F₂ in een kruising?
    Antwoord: P = ouders, F₁ = eerste nakomelingen, F₂ = nakomelingen van F₁.

  2. Hoeveel allelen bevat een geslachtscel van één gen?
    Antwoord: Eén allel.

  3. Wat is de genotypeverhouding in F₂ bij Aa × Aa?
    Antwoord: 1 AA : 2 Aa : 1 aa.

  4. Wanneer ontstaat er een fenotypeverhouding van 3 : 1?
    Antwoord: Bij een kruising van twee heterozygoten voor een dominante eigenschap.

  5. Wat kun je met een kruisingsschema voorspellen?
    Antwoord: Welke genotypen en fenotypen de nakomelingen kunnen hebben.


Toetsvragen

  1. Wat is het genotype van een gele labrador als geel recessief is?
  2. Hoeveel soorten geslachtscellen kan een dier met genotype Aa maken?
  3. Waarom zijn alle F₁-nakomelingen van AA × aa gelijk?
  4. Maak de F₂-verhouding van Aa × Aa.
  5. Wat is het fenotype van genotype aa als a recessief is?
  6. Wat betekent homozygoot dominant?
  7. Wanneer gebruik je een kruisingsschema?
  8. Vul aan: bij Aa × aa is de fenotypeverhouding __ : __.
  9. Welk percentage nakomelingen is homozygoot recessief bij Aa × Aa?
  10. Waarom kun je niet altijd exact voorspellen hoeveel nakomelingen een bepaald kenmerk zullen hebben?

Referentie

Gebaseerd op Thema 3, Basistof 3 – Kruisingen uit het geüploade document.