biologie

Thema 3 Erfelijkheid en Evolutie

Basistof 4 Stambomen

Samenvatting

In deze les leer je hoe je met een stamboom kunt onderzoeken hoe eigenschappen binnen een familie worden doorgegeven. Je leert hoe je kunt afleiden welk allel dominant of recessief is, en hoe je genotypen van ouders en kinderen kunt bepalen. Een stamboom helpt je te begrijpen waarom mensen soms eigenschappen hebben die niet zichtbaar zijn bij hun ouders.

Lesdoelen

Na deze les kun je:


Lesinhoud

Wat is een stamboom?

Een stamboom is een schematische tekening die laat zien hoe een erfelijke eigenschap in een familie voorkomt.

Je ziet daarin welke familieleden de eigenschap hebben (fenotype) en welke niet.


Hoe lees je een stamboom?

Stap 1 – Bekijk het fenotype van iedereen

Je kijkt eerst wie de eigenschap heeft.
Bijvoorbeeld:

Stap 2 – Zoek naar het kind met een afwijkend fenotype

Als beide ouders hetzelfde fenotype hebben, maar één kind heeft een afwijkend fenotype, dan moeten beide ouders heterozygoot zijn.
Het afwijkende kind is dan homozygoot recessief.

Dit is een belangrijk herkenpunt:

Een recessieve eigenschap kan opeens zichtbaar worden als beide ouders een recessief allel dragen.

Stap 3 – Vul de dominante allelen in

Alle personen met het dominante fenotype krijgen in elk geval één dominant allel (bijvoorbeeld: A).

Stap 4 – Vul de genotypen verder aan

Je vult steeds meer aan door te kijken wie met wie kinderen heeft.


Voorbeeld uit de basisstof

In de stamboom uit de tekst hebben beide ouders bruin haar maar één kind is blond.
Dat betekent:

Dit voorbeeld laat zien dat een recessief kenmerk pas zichtbaar wordt als iemand twee recessieve allelen heeft.


Praktische toepassingen


Controlevragen en antwoorden

  1. Wat betekent een rondje in een stamboom?
    Antwoord: Een vrouw.

  2. Wat kun je aflezen als ouders een kind krijgen met een recessieve eigenschap?
    Antwoord: Beide ouders zijn heterozygoot (Aa).

  3. Wat is het genotype van iemand met een recessief fenotype?
    Antwoord: aa.

  4. Wat is een dominante eigenschap?
    Antwoord: Een eigenschap die zichtbaar is als er minstens één dominant allel aanwezig is.

  5. Hoe kun je zien dat een eigenschap recessief is?
    Antwoord: Het komt alleen tot uiting bij personen met genotype aa, en kan “overslaan” naar een generatie later.


Toetsvragen

  1. Wat betekenen de symbolen rondje en vierkantje in een stamboom?
  2. Wat is het genotype van een persoon die een recessieve eigenschap heeft?
  3. Hoe weet je dat beide ouders heterozygoot zijn?
  4. Wat moet waar zijn als twee ouders met hetzelfde dominante fenotype een recessief kind krijgen?
  5. Waarom kunnen dominante eigenschappen niet overslaan?
  6. Hoe noteer je het genotype van iemand die mogelijk AA of Aa is?
  7. Waarom kun je niet altijd exact bepalen of iemand AA of Aa is?
  8. Welke stap voer je als eerste uit bij het analyseren van een stamboom?
  9. Wat kun je zeggen over een ouder die géén recessieve eigenschap heeft maar wel een recessief kind?
  10. Waarom is een stamboom een handig hulpmiddel bij erfelijke ziekten?

Referentie

Gebaseerd op Thema 3, Basistof 4 – Stambomen uit het geüploade document.