biologie

Thema 3 Erfelijkheid en Evolutie

Basistof 5 Variatie in genotypen

Samenvatting

In deze les leer je hoe verschillen in genotypen ontstaan bij organismen. Je ontdekt dat variatie niet alleen komt door geslachtelijke voortplanting, maar ook door mutaties. Ook leer je hoe kanker kan ontstaan wanneer cellen ongecontroleerd gaan delen. Deze kennis helpt je te begrijpen waarom geen twee organismen precies gelijk zijn en waarom erfelijke ziekten soms wel of niet worden doorgegeven.

Lesdoelen

Na deze les kun je:


Lesinhoud

Ongeslachtelijke voortplanting

Bij ongeslachtelijke voortplanting groeit een deel van een organisme uit tot een nieuw individu.
Dit gebeurt bijvoorbeeld bij:

Omdat dit gebeurt via mitose, blijven alle genotypen hetzelfde.
Dus:

Geslachtelijke voortplanting

Bij geslachtelijke voortplanting versmelten twee geslachtscellen.
Deze geslachtscellen hebben elk verschillende genotypen door meiose.
Daarom ontstaat:

Dit verklaart waarom broers en zussen van elkaar verschillen.

Mutaties

Een mutatie is een plotselinge verandering in het DNA.

Mutaties kunnen ontstaan door:

Mutatie in een lichaamscel

Mutatie in een geslachtscel

Mutanten

Wanneer een gemuteerd allel zichtbaar wordt in het fenotype, noem je het organisme een mutant.
Voorbeeld uit de basisstof:

Kanker

Kanker ontstaat wanneer:

  1. In een cel mutaties optreden
  2. Die mutaties ervoor zorgen dat de cel ongecontroleerd gaat delen

Dit leidt tot:

Bij uitzaaiing komen kankercellen in bloed of lymfe terecht en vormen elders nieuwe tumoren.


Praktische toepassingen


Controlevragen en antwoorden

  1. Waarom ontstaan er bij geslachtelijke voortplanting veel verschillende genotypen?
    Antwoord: Omdat geslachtscellen verschillende allelen bevatten door meiose en willekeurig samensmelten.

  2. Waarom lijken nakomelingen van ongeslachtelijke voortplanting sterk op elkaar?
    Antwoord: Omdat ze hetzelfde genotype hebben als de ouder.

  3. Wat is een mutatie?
    Antwoord: Een plotselinge verandering in het DNA.

  4. Wanneer kan een mutatie worden doorgegeven aan nakomelingen?
    Antwoord: Als de mutatie in een geslachtscel ontstaat.

  5. Wat is het verschil tussen een goedaardige en een kwaadaardige tumor?
    Antwoord: Goedaardig groeit langzaam en dringt geen weefsels binnen; kwaadaardig groeit snel, dringt weefsels binnen en kan uitzaaien.


Toetsvragen

  1. Wat is het verschil tussen geslachtelijke en ongeslachtelijke voortplanting?
  2. Waarom ontstaat bij ongeslachtelijke voortplanting geen variatie in genotypen?
  3. Wat zijn mutagene invloeden?
  4. Wat is een mutant?
  5. Wat gebeurt er bij een mutatie in een geslachtscel?
  6. Hoe ontstaat een tumor?
  7. Noem één voorbeeld van een mutagene invloed uit de basisstof.
  8. Waarom kunnen broers en zussen verschillend fenotype hebben?
  9. Hoe kan kanker zich door het lichaam verspreiden?
  10. Wat is het gevolg van een mutatie in een lichaamscel?

Referentie

Gebaseerd op Thema 3, Basistof 5 – Variatie in genotypen uit het geüploade document.