biologie

Thema 3 Erfelijkheid en Evolutie

Basistof 7 Verwantschap

Samenvatting

In deze les leer je hoe je kunt bepalen hoe soorten met elkaar verwant zijn. Je ontdekt dat fossielen, de bouw van organen, de bouw van cellen en de samenstelling van stoffen in cellen belangrijke aanwijzingen geven over verwantschap tussen soorten. Ook leer je hoe evolutionaire stambomen worden opgebouwd en hoe je deze kunt aflezen.

Lesdoelen

Na deze les kun je:


Lesinhoud

Fossielen

Fossielen zijn versteende overblijfselen of afdrukken van organismen in gesteenten.
Ze laten zien:

Voorbeeld uit de basisstof: dinosauriërs komen alleen voor in gesteentelagen van een bepaalde ouderdom.

Overeenkomsten in bouw van organen

Sommige soorten hebben organen die qua bouw sterk op elkaar lijken, maar verschillende functies hebben.
Voorbeeld uit de basisstof:

De botten komen overeen → deze soorten hebben waarschijnlijk een gemeenschappelijke voorouder.

Gelijke functies, andere bouw

Soms hebben verschillende soorten organen met dezelfde functie, zoals vleugels bij:

Maar de bouw is totaal anders.
Dit betekent dat deze soorten niet verwant zijn.

Rudimentaire organen

Rudimentaire organen zijn resten van organen die geen functie meer hebben.
Voorbeelden:

Dit is bewijs dat soorten afstammen van voorouders die deze organen wél gebruikten.

Processen in cellen

Processen zoals celdeling en verbranding verlopen bij vrijwel alle organismen op dezelfde manier.
Dit wijst op verwantschap.

DNA en eiwitten

Door DNA en eiwitten te vergelijken, kun je vaststellen hoe nauw soorten verwant zijn.
Hoe meer overeenkomsten:

Voorbeeld uit de basisstof:
Mens, aap en tijger — de overeenkomsten tussen tijger en leeuw zijn groter dan tussen tijger en aap.

Evolutionaire stambomen

Een evolutionaire stamboom laat zien:

Soorten die dichter bij elkaar staan in de stamboom zijn meer verwant.


Praktische toepassingen


Controlevragen en antwoorden

  1. Wat zijn fossielen?
    Antwoord: Versteende overblijfselen of afdrukken van organismen in gesteenten.

  2. Wat bewijzen overeenkomstige organen?
    Antwoord: Dat soorten een gemeenschappelijke voorouder hebben.

  3. Wat zijn rudimentaire organen?
    Antwoord: Overblijfselen van organen die geen functie meer hebben maar vroeger wel functioneerden.

  4. Hoe kun je verwantschap bepalen met DNA?
    Antwoord: Hoe meer DNA overeenkomt, hoe nauwer soorten verwant zijn.

  5. Wat lees je af uit een evolutionaire stamboom?
    Antwoord: Welke soorten verwant zijn en hoe lang geleden ze een gemeenschappelijke voorouder hadden.


Toetsvragen

  1. Wat is een fossiel?
  2. Hoe bewijzen overeenkomstige botstructuren verwantschap?
  3. Noem een voorbeeld van een rudimentair orgaan.
  4. Hoe kun je zien dat twee soorten níet verwant zijn, ondanks dezelfde functie van een orgaan?
  5. Wat laat de plaats van twee soorten in een evolutionaire stamboom zien?
  6. Wat betekent het als DNA sterk overeenkomt tussen twee soorten?
  7. Waarom is de vleugel van een vlinder geen bewijs voor verwantschap met een vleermuis?
  8. Wat toont de bouw van cellen aan?
  9. Hoe blijkt uit fossielen dat soorten kunnen verdwijnen?
  10. Waarom zijn rudimentaire organen belangrijk voor het begrijpen van evolutie?

Referentie

Gebaseerd op Thema 3, Basistof 7 – Verwantschap uit het geüploade document.