biologie

Thema 4 – Ordening

Basisstof 2 – Organismen ordenen

Samenvatting

In deze les leer je hoe biologen organismen ordenen. Dat betekent: organismen indelen in groepen. Dit doen biologen door te kijken naar gemeenschappelijke kenmerken, vooral naar de bouw van de cellen. Je leert het verschil tussen organismen met en zonder celkern en je maakt kennis met de vier rijken.

Lesdoelen

Na deze les kun je:

Lesinhoud

Biologen delen organismen in groepen in. Dat doen zij om overzicht te krijgen en om te zien welke organismen op elkaar lijken.

Indeling op basis van cellen

Organismen worden eerst verdeeld in twee hoofdgroepen:

De vier rijken

Er zijn vier rijken van organismen:

Bacteriën

Schimmels

Planten

Dieren

Verdere ordening

Organismen kun je steeds verder indelen in kleinere groepen:

hoofdgroep → rijk → stam → klasse → orde → familie → geslacht → soort

Hoe verder je komt, hoe specifieker de groep wordt.

Praktische toepassingen

Controlevragen en antwoorden

  1. Vraag: Wat betekent organismen ordenen?
    Antwoord: Organismen indelen in groepen op basis van kenmerken.

  2. Vraag: Wat is het verschil tussen prokaryoten en eukaryoten?
    Antwoord: Prokaryoten hebben geen celkern, eukaryoten wel.

  3. Vraag: Welke organismen zijn altijd eencellig?
    Antwoord: Bacteriën.

  4. Vraag: Welke rijken hebben een celkern?
    Antwoord: Schimmels, planten en dieren.

  5. Vraag: Welke celstructuur hebben planten wel en dieren niet?
    Antwoord: Een celwand en bladgroenkorrels.

Toetsvragen

  1. Wat zijn gemeenschappelijke kenmerken?
  2. Wat is een prokaryoot?
  3. Wat is een eukaryoot?
  4. Noem de vier rijken.
  5. Welke organismen hebben geen celkern?
  6. Welke organismen hebben bladgroenkorrels?
  7. Wat is het verschil tussen eencellig en meercellig?
  8. Tot welk rijk behoren schimmels?
  9. Waarom ordenen biologen organismen?
  10. Wat is de kleinste groep in de indeling van organismen?

Antwoorden toetsvragen

  1. Kenmerken die meerdere organismen met elkaar delen.
  2. Een organisme zonder celkern.
  3. Een organisme met een celkern.
  4. Bacteriën, schimmels, planten en dieren.
  5. Bacteriën.
  6. Planten.
  7. Eencellig bestaat uit één cel, meercellig uit meerdere cellen.
  8. Het rijk van de schimmels.
  9. Om overzicht te krijgen en organismen te vergelijken.
  10. De soort.

Referentie

Bron(nen): Samenvatting Thema 4 – Ordening (geüploade methodepagina’s)