biologie

10 T1 stofwisseling

Feit 1

Je moet stoffen kunnen indelen in organische stoffen en anorganische stoffen.

- Organische stoffen. afkomstig van organismen of van producten van organismen.

- Organische stoffen zijn energierijk.

- Bijv koolhydraten (glucose. suiker, zetmeel), vetten, eiwitten.

- Anorganische stoffen: komen zowel in organismen voor als in de levenloze natuur.

- Anorganische stoffen bevatten weinig energie.

- Bijv zuurstof. koolstofdioxide, water, mineralen (zouten).

Feit 2

Je moet de werking van enzymen kunnen beschrijven.

- Enzymen versnellen de reacties van stofwisselingsprocessen, zonder daar bij zelf te worden verbruikt.

- Enzymen zijn eiwitten.

- Enzymen werken specifiek: een enzym kan slechts een reactie versnellen.

- Enzymactiviteit: de snelheid waarmee een enzym een reactie versnelt.

- De enzymactiviteit is o.a. afhankelijk van de temperatuur en de zuurgraad (Ph).

- De temperatuur beïnvloedt de enzymactiviteit volgens een optimumkromme.

- Minimumtemperatuur: de laagste temperatuur waarbij een enzym nog actief is.

Beneden de minimumtemperatuur is een enzym tijdelijk onwerkzaam.

- Optimumtemperatuur: de temperatuur waarbij de enzymactiviteit het grootst is.

- Maximumtemperatuur: de hoogste temperatuur waarbij een enzym actief is. Boven de maximumtemperatuur wordt een enzym voorgoed onwerkzaam.

- Ook de zuurgraad beïnvloedt de enzymactiviteit volgens een optimumkromme.

- Een oplossing kan zuur, neutraal of basisch zijn.

- Zuiver water heeft een neutrale zuurgraad.

Feit 3

Je moet het proces van fotosynthese kunnen beschrijven.

- Fotosynthese: koolstofdioxide en water worden omgezet in glucose en zuurstof

- Hierbij is (zon)licht nodig.

- Bij fotosynthese wordt lichtenergie vastgelegd in glucose.

- Bij fotosynthese wordt uit anorganische stoffen een energierijke! organische stof gemaakt.

- Schematisch:

koolstofdioxide + water + lichtenergie geeft: glucose + zuurstof

Feit 4

Je moet de voorwaarden kunnen noemen die aanwezig moeten zijn om fotosynthese te laten plaatsvinden.

- Licht.

- Fotosynthese kan alleen in het licht (overdag) plaatsvinden.

- Bladgroen.

- Fotosynthese kan alleen plaatsvinden in organismen met bladgroen (planten).

- Alleen in groene plantendelen (bladeren, groene stengels) kan fotosynthese plaatsvinden.

- Het grootste deel van de bladeren van planten bestaat uit vulweefsel met bladgroenkorrels. De opperhuidcellen en de nerven hebben geen bladgroenkorrels. De sluitcellen van de huidmondjes hebben wel bladgroenkorrels.

- Geschikte temperatuur.

- Als het te koud is (bijv 's winters bij strenge vorst) kan geen fotosynthese plaatsvinden.

- Koolstofdioxide.

- Planten nemen koolstofdioxide op uit de lucht, vooral via de huidmondjes.

- Water

- Planten nemen water op uit de bodem, vooral via de wortelharen.

Feit 5

Je moet de assimilatie bij planten kunnen beschrijven.

- Doel van de assimilatie: de vorming van organische stoffen waaruit een organisme bestaat.

- Glucose wordt gevormd bij de fotosynthese.

- De glucose die bij de fotosynthese ontstaat, wordt voor een deel verbruikt bij de verbranding in de plant.

- De glucose die niet direct bij de verbranding wordt verbruikt, wordt omgezet in andere organische stoffen.

- Uit glucose worden andere koolhydraten (bijv. zetmeel. suiker, cellulose) gevormd.

- Zetmeel wordt overdag tijdelijk in de bladeren oppeslagen.

Zetmeel is aan te tonen met joodoplossing: joodoplossing kleurt zetmeel blauwzwart.

- Suiker wordt opgelost in water vervoerd naar alle delen van de plant.

- Cellulose komt voor in celwanden.

- Uit glucose samen met nitraat worden eiwitten gevormd.

Nitraat is een voedingszout, dat door planten uit de bodem wordt opgenomen.

- Eiwitten komen voor in het cytoplasma van cellen en in zaden.

- Uit glucose worden vetten gevormd.

- Vetten komen voor in zaden.

Feit 6

Je moet het proces van verbranding bij organismen kunnen beschrijven.

- Verbranding: brandstof en zuurstof worden omgezet in koolstofdioxide en water.

- In cellen van organismen is glucose meestal de brandstof.

- Ook andere organische stoffen kunnen als brandstof dienst doen.

- Bij verbranding worden energierijke, organische stoffen omgezet in anorganische stoffen.

- Bij verbranding komt energie vrij, meestal als warmte of beweging.

- Verbranding vindt voortdurend in alle cellen plaats.

- Schematisch:

glucose (brandstof) + zuurstof leveren: koolstofdioxide + water (verbrandingsproducten) + energie (warmte, beweging)

Feit 7

Je moet factoren kunnen noemen die van invloed zijn op de grondstofwisseling en op de verbranding in organismen.

- Grondstofwisseling: de stofwisseling van een organisme in rust.

- De grondstofwisseling bij mensen is o.a. afhankelijk van het geslacht, van de leeftijd en van de milieutemperatuur.

- Bij warmbloedige dieren is de grondstofwisseling meestal hoger dan bij koudbloedige dieren.

- Bij lage milieutemperaturen hebben warmbloedige dieren veel energie nodig om hun lichaamstemperatuur te handhaven.

- Bij lage milieutemperaturen is bij koudbloedige dieren de grondstofwisseling zo laag, dat deze dieren niet actief kunnen zijn.

- In een organisme vindt meer verbranding plaats, naarmate het organisme meer beweegt.

- Bij lichamelijke inspanning vindt in de spieren veel verbranding plaats.

- Hierbij komt energie niet alleen vrij in de vorm van beweging, maar ook in de vorm van warmte.

Feit 8

Je moet uit proefopstellingen met organismen in afgesloten ruimten kunnen afleiden, hoe het gehalte aan zuurstof en koolstofdioxide in die ruimten verandert.

- Bij een plant in het licht vinden fotosynthese en verbranding beide plaats.

- Bij de fotosynthese ontstaat meestal meer glucose en komt meestal meer zuurstof vrij dan bij de verbranding wordt verbruikt.

- Een plant in het licht neemt meestal koolstofdioxide op uit de lucht en geeft meestal zuurstof af aan de lucht.

- Bij een plant in het donker vindt verbranding plaats.

- Een plant in het donker neemt zuurstof op uit de lucht en geeft koolstofdioxide af aan de lucht.

- Bij bacterien, schimmels en dieren vindt verbranding plaats.

- Bacterien, schimmels en dieren nemen zuurstof op uit de lucht en geven koolstofdioxide af aan de lucht.

- Koolstofdioxide is aan te tonen met helder kalkwater.

- Koolstofdioxide maakt helder kalkwater troebel.