12 T3 ecologie
Feit 1
- Biotische factoren: invloeden afkomstig van de levende natuur.
- Bijv. soortgenoten, roofdieren, ziekteverwekkers.
- Abiotische factoren: invloeden afkomstig van de levenloze natuur.
- Bijv. temperatuur, licht, wind, zuurstofgehalte van de lucht, regenval, mineralen, bodemgesteldheid.
Feit 2
- Individu: een enkel organisme.
- Populatie: een groep individuen van dezelfde soort in een bepaald gebied, die zich onderling voortplanten.
- Levensgemeenschap: alle populaties die in een ecosysteem leven.
- Ecosysteem: een bepaald gebied waarbinnen de biotische en de abiotische factoren een eenheid vormen.
- Biotoop: de gezamenlijke abiotische factoren van een ecosysteem.
Feit 3
- Autotrofe organismen:
- hebben bladgroen;
- vertonen in het licht fotosynthese;
- kunnen organische stoffen maken uit alleen anorganische stoffen;
- hebben geen andere organismen nodig voor hun voedsel;
- nemen anorganische stoffen op uit hun milieu.
- Heterotrofe organismen:
- hebben geen bladgroen;
- vertonen geen fotosynthese;
- kunnen geen organische stoffen maken uit anorganische stoffen;
- hebben andere organismen nodig voor hun voedsel;
- nemen organische en anorganische stoffen op uit hun milieu.
Feit 4
- Voedselketen: een reeks soorten, waarbij elke soort voedselbron is voor de volgende soort.
- Elke voedselketen heeft een plantensoort als eerste schakel.
- Voedselnet (voedselweb): het geheel van voedselrelaties in een ecosysteem.
Feit 5
- Producenten: produceren energierijke, organische stoffen uit anorganische stoffen.
- Producenten zijn autotroof.
- Planten zijn producenten. In de bladeren van planten vindt fotosynthese plaats.
- Consumenten: consumeren energierijke, organische stoffen.
- Consumenten van de eerste orde worden gegeten door consumenten van de tweede orde, die weer door consumenten van de derde orde, enz.
- Tot de consumenten behoren planteneters, vleeseters en alleseters.
- Consumenten zijn heterotroof.
- Dieren zijn consumenten.
- Reducenten: zetten de organische stoffen in dode resten van organismen om in anorganische stoffen.
- Hierdoor komen er weer mineralen vrij voor de producenten.
- Reducenten maken de kringloop van stoffen in een ecosysteem compleet.
- Reducenten zijn heterotroof.
- Schimmels en bacteriën zijn reducenten.
Feit 6
- De koolstofkringloop.
(Zie brailletekening 107)
Feit 7
- De stikstofkringloop.
(Zie brailletekening 108)
- Planten nemen nitraat op uit de bodem. Planten zetten glucose en nitraat om in plantaardige eiwitten.
- Dieren zetten plantaardige eiwitten om in dierlijke eiwitten.
- Rottingsbacteriën zetten de eiwitten in dode resten van planten en dieren en in uitwerpselen van dieren om. Hierbij ontstaan ammoniakgas (in de lucht) en ammonium (in de bodem).
- Speciale bacteriën in de bodem zetten ammonium om in nitraat.
- Stikstofbindende bacteriën zetten stikstofgas uit de lucht om. Hierbij ontstaat o.a. nitraat. Stikstofbindende bacteriën komen o.a. voor in de wortelknolletjes van vlinderbloemige planten (bijv klaver).
- Groenbemesting: het verbouwen van vlinderbloemige planten op grond die arm is aan nitraat. Hierdoor wordt deze grond "stikstofrijker".
Feit 8
- Piramide van aantallen: geeft van elke schakel van een voedselketen het aantal individuen weer.
- In een voedselketen wordt het aantal individuen in elke volgende schakel meestal kleiner
- Soms is dit niet het geval. Dan heeft de piramide van aantallen geen piramidevorm.
- Piramide van biomassa: geeft van elke schakel van een voedselketen de biomassa weer
- Biomassa: het totale gewicht van alle energierijke, organische stoffen.
- In een voedselketen wordt de biomassa in elke volgende schakel kleiner
- De piramide van biomassa heeft altijd een piramidevorm.
- De energiestroom in een ecosysteem: in elke schakel van een voedselketen verdwijnt er energie uit de voedselketen.
- Sommige individuen sterven zonder dat ze worden gegeten door individuen van de volgende schakel.
- Van de individuen die wel worden gegeten, wordt een deel niet verteerd. Dit deel komt in de uitwerpselen terecht.
- Van de stoffen die wel worden verteerd, wordt een deel gebruikt als brandstoffen. Bij de verbranding hiervan komt energie vrij, meestal in de vorm van warmte of beweging.
- Het overgebleven deel kan worden gebruikt als bouwstoffen. Dit deel kan als voedsel dienen voor de volgende schakel van de voedselketen.
Feit 9
- Optimale omstandigheden: alle biotische en abiotische factoren hebben de gunstigste waarden.
- De groei- en voortplantingskansen van een populatie zijn dan het grootst.
- Biologisch evenwicht: een toestand waarin de grootte van elke populatie in een ecosysteem schommelt om een bepaalde waarde.
- De populatiegrootte is afhankelijk van biotische en abiotische factoren.
- De abiotische factoren temperatuur licht, lucht (wind) en water (neerslag) vormen samen het klimaat.
- Voor elke abiotische factor kunnen de groei- en voortplantingskansen van de populatie in een optimumkromme worden weergegeven.
Feit 10
- Successie: de opeenvolging van planten- en diersoorten in een bepaald gebied, waardoor een ecosysteem geleidelijk in een ander ecosysteem overgaat.
- Pionierecosysteem. het eerste ecosysteem dat op een onbegroeid terrein ontstaat.
- De abiotische factoren wisselen sterk.
- De bodem is humusarm. (Humus is een mengsel van organische en anorganische stoffen en reducenten.)
- Het ecosysteem is soortenarm.
- Van elke soort zijn er veel individuen.
- Het voedselweb is eenvoudig.
- Climaxecosysteem: het eindstadium van de successie (bijv. een tropisch regenwoud, in Nederland een loofbos).
- De abiotische factoren zijn min of meer constant.
- De bodem is humusrijk.
- Het ecosysteem is soortenrijk.
- Van elke soort zijn er weinig individuen.
- Het voedselweb is ingewikkeld.
Feit 11
- Aanpassingen bij waterdieren om de weerstand van het water zo klein mogelijk te maken.
- Het lichaam is gestroomlijnd.
- Bij vissen zijn de schubben van de huid bedekt met een laag slijm.
- Aanpassingen bij landdieren om hun eigen gewicht te dragen.
- Stevige poten: hoe zwaarder het dier, des te steviger zijn in verhouding de poten.
- Een zwaar skelet.
- Aanpassingen bij landzoogdieren aan de ondergrond.
- Zoolgangers: lopen op de hele voetzool (bijv. apen, beren).
- Zoolgangers zakken op een drassige ondergrond niet zo snel weg.
- Teengangers: lopen op de hele tenen (bijv. honden, katten).
- Hoefgangers: lopen op de toppen van de tenen (bijv. paarden, herten).
- Hoefgangers ondervinden weinig weerstand van de bodem. Hoefgangers kunnen alleen goed lopen op een harde bodem.
- Aanpassingen bij de poten van vogels.
- Veel vogels hebben drie tenen naar voren en een teen neer achteren (bijv. zangvogels).
- Hierdoor kunnen ze zich vastklemmen aan takken.
- Roofvogels en uilen hebben scherpe klauwen.
- Loopvogels hebben geen teen naar achteren.
- Watervogels hebben zwemvliezen tussen de tenen (bijv. eenden).
- Steltlopers hebben lange poten.
- Aanpassingen bij de snavels van vogels.
- Kegelsnavel: bij zangvogels die zaden eten.
- Pincetsnavel: bij zangvogels die insecten eten.
- Haaksnavel: bij roofvogels en uilen.
- Priemsnavel: bij vogels die bodemdiertjes eten (bijv. steltlopers).
- Zeefsnavel: bij vogels die kleine plantjes en diertjes uit het water zeven (bijv eenden).
Feit 12
- Aanpassingen bij planten aan de hoeveelheid licht.
- Zonplanten: groeien het best bij veel licht (bijv. in het open veld).
- Schaduwplanten: groeien het best bij weinig licht (bijv op de bodem van een loofbos).
- Voorjaarsbloeiers: op de bodem van een loofbos bloeien veel schaduwplanten vroeg in het voorjaar, doordat de hoeveelheid licht dan het grootst is.
- Aanpassingen bij landplanten die in een vochtig milieu leven.
- Veel huidmondjes.
- Oppervlakkig gelegen huidmondjes.
- Grote, platte bladeren.
- Kale bladeren.
- Een dun waslaagje om de bladeren.
- Een zwak ontwikkeld wortelstelsel.
- Aanpassingen bij landplanten die in een droog milieu leven.
- Weinig huidmondjes, alleen aan de onderkant van de bladeren.
- Diep verzonken huidmondjes.
- Kleine, dikke bladeren (bij cactussen doornvormige bladeren zonder huidmondjes).
- Behaarde bladeren.
- Een dikke waslaag om de bladeren.
- Soms opslag van water in de stengels (bijv. bij cactussen).
- Een sterk ontwikkeld wortelstelsel.
- Aanpassingen bij waterplanten.
- Bij drijvende bladeren zitten de huidmondjes alleen aan de bovenkant (bijv. bij waterlelies).
- Ondergedoken bladeren hebben geen huidmondjes (bijv. bij waterpest).
- De stengels zijn slap.
- De stengels kunnen luchtkanalen bevatten (bijv. bij waterlelies).
- Aanpassingen bij klimplanten.
- Hechtwortels (bijv. klimop).
- Ranken (bijv. wijnstok).