biologie

13 T4 mens en milieu

Feit 1

Je moet zes manieren kunnen noemen waarop de mens afhankelijk is van het milieu.

- Het milieu levert voedsel.

- Door fotosynthese in planten komt er steeds nieuw voedsel.

- Het milieu levert zuurstof.

- Bij fotosynthese ontstaat zuurstof.

- Het milieu levert water.

- Het milieu levert energie.

- Het milieu levert grondstoffen.

- Het milieu geeft plaats voor recreatie.

Feit 2

Je moet de voornaamste oorzaken en gevolgen van de milieuproblemen kunnen noemen.

- Oorzaken:

- de enorme bevolkingstoename (bevolkingsdruk);

- de veranderde wijze van leven, o.a. veel (chemische) industrie, veel machines en apparaten, grote landbouwbedrijven.

- Gevolgen:

- uitputting van de voorraden energie en grondstoffen;

- vervuiling van lucht, water en bodem door afvalstoffen;

- aantasting van het landschap o.a. door de omzetting van natuurlijke ecosystemen in landbouwgrond.

- sterke vermindering van het aantal soorten planten en dieren (veel soorten worden met uitsterven bedreigd);

- horizonvervuiling: in natuurgebieden zie je aan de horizon grote gebouwen e.d. staan.

Feit 3

Je moet manieren kunnen noemen waarop een optimale productie van voedsel kan worden verkregen.

- Door bemesting van de bodem met stalmest of kunstmest.

- Door het oogsten van voedingsgewassen en uitspoeling worden mineralen aan de kringloop van stoffen op landbouwgrond onttrokken.

- Door te bemesten worden mineralen (vooral stikstofhoudende mineralen) toegevoegd.

- Door bewerking (ploegen, eggen) van de bodem.

- Plantenwortels kunnen beter in de bodem doordringen.

- Er is meer zuurstof beschikbaar voor plantenwortels en voor reducenten.

- Door bescherming van voedingsgewassen tegen ziekten en plagen.

- Door verandering van erfelijke eigenschappen van voedingsgewassen en landbouwhuisdieren.

- Door voeding van landbouwhuisdieren met mengvoer.

- Mengvoer bevat energierijke stoffen, mineralen (o.a. stikstofhoudende mineralen en fosfaat) en eventueel geneesmiddelen en hormonen.

Feit 4

Je moet de kenmerken van chemische en biologische bestrijding kunnen noemen.

- Chemische bestrijding.

- Door biociden: bestrijdingsmiddelen die organismen doden.

- Voordelen:

- snel effect (ziekten en plagen kunnen goed worden bestreden).

- Nadelen:

- de meeste middelen zijn niet-selectief (ze doden veel soorten organismen);

- er ontstaan resistente populaties (de individuen zijn ongevoelig voor een bepaald bestrijdingsmiddel of voor de gebruikte hoeveelheid);

- er treedt accumulatie op (de middelen hopen zich op in voedselketens doordat ze niet of nauwelijks worden afgebroken).

- Biologische bestrijding.

- Door gebruik van natuurlijke vijanden: bijv de bestrijding van witte vliegen met sluipwespen.

- Door vruchtwisseling: plantenziekten worden voorkomen door nooit twee jaar achtereen hetzelfde gewas op een bepaald stuk grond te verbouwen.

Feit 5

Je moet methoden kunnen noemen waardoor de erfelijke eigenschappen van voedingsgewassen en landbouwhuisdieren kunnen worden beïnvloed.

- Veredeling: door kunstmatige selectie en kruisingen tracht men een combinatie van gunstige eigenschappen in een nakomeling te verkrijgen. Recombinant-DNA-techniek: in het DNA van een organisme wordt nieuwe erfelijke informatie aangebracht.

- Bijv.: ontstaan van ziekteresistente gewassen (gewassen die ongevoelig zijn voor bepaalde ziekteverwekkers).

- Kunstmatige inseminatie (KI): sperma van een stier met gunstige eigenschappen wordt ingebracht in de baarmoeder van koeien. Reageerbuisbevruchting: eicellen van een koe met gunstige eigenschappen worden bevrucht door spermacellen van een stier met gunstige eigenschappen.

- De klompjes cellen die zich uit de bevruchte eicellen ontwikkelen worden ingebracht in de baarmoeder van draagkoeien.

Feit 6

Je moet de kenmerken kunnen noemen van de verschillende landbouwmethoden in Nederland met de voor- en nadelen.

- Kenmerken van de akkerbouw:

- grote bedrijven met erg veel grond;

- per bedrijf worden meestal slechts enkele landbouwproducten verbouwd;

- monocultuur: op een groot stuk grond wordt één soort gewas verbouwd;

- er worden veel chemische bestrijdingsmiddelen gebruikt omdat monocultures de kans op insectenplagen en op uitbreiding van ziekten vergroten;

- er wordt veel kunstmest gebruikt.

- Voordeel: het land brengt veel op.

- Nadelen:

- er worden veel chemische bestrijdingsmiddelen gebruikt;

- chemische bestrijdingsmiddelen en kunstmest vervuilen het water in slootjes en rivieren en het grondwater;

- de kwaliteit van het drinkwater wordt bedreigd.

- Kenmerken van de intensieve veehouderij (bio-industrie):

- bedrijven met veel dieren op weinig grond;

- veevoer wordt niet zelf gekweekt meer gekocht (70 procent van de grondstoffen voor het veevoer komt uit het buitenland).

- Voordeel: een bedrijf levert veel op (vlees, melk of eieren).

- Nadelen:

- de dieren hebben vaak geen prettig leven (bijv kippen in een legbatterij);

- mestoverschot;

- uitstoot van ammoniakgas en een broeikasgas.

- Kenmerken van de tuinbouw:

- veel tuinbouw vindt plaats in kassen (glastuinbouw) in plaats van in de open grond.

- Voordelen glastuinbouw:

- grote productie door optimale omstandigheden in kassen voor de planten (juiste hoeveelheden water! mineralen, warmte en licht);

- producten zijn heel het jaar te oogsten.

- Nadelen glastuinbouw:

- het verbouwen van de producten kost erg veel energie;

- het koolstofdioxide dat ontstaat bij de verbranding van aardgas zorgt voor versterking van het broeikaseffect;

- er worden veel chemische bestrijdingsmiddelen gebruikt.

- Kenmerken van de biologische landbouw:

- er zijn geen monocultures;

- er wordt geen kunstmest gebruikt;

- er worden geen chemische bestrijdingsmiddelen gebruikt;

- plagen worden bestreden met natuurlijke vijanden;

- ziekten worden tegengegaan door vruchtwisseling en door ziekteresistente rassen te kiezen;

- dieren kunnen rondlopen (scharrelkippen en scharrelvarkens).

- Voordelen:

- het milieu wordt zoveel mogelijk ontzien;

- de producten zijn gezond (o.a. onbespoten groenten en fruit);

- er wordt rekening gehouden met het welzijn van de dieren.

- Nadeel:

- de producten zijn meestal iets duurder.

Feit 7

Je moet de oorzaken en gevolgen van zure regen en andere vormen van luchtvervuiling kunnen noemen.

- Luchtvervuiling door industrie, elektriciteitscentrales en wegverkeer.

- Uitstoot van zwaveldioxide en stikstofoxiden door verbranding van fossiele brandstoffen (steenkool, aardolie en benzine). Samen met waterdamp en zuurstof ontstaan zwavelzuur en salpeterzuur: deze stoffen veroorzaken zure regen (zure neerslag).

- Uitstoot van koolwaterstoffen en koolstofmono-oxide: ozonvorming.

- Uitstoot van giftige gassen.

- Luchtvervuiling door de bio-industrie (intensieve veehouderijen).

- Uitstoot van ammoniakpas (o.a. als gevolg van mestoverschot): verzuring van de bodem.

- Gevolgen van zure regen (zure neerslag).

- Door verzuring van de bodem komen mineralen vrij en spoelen ze uit.

- Door verzuring lossen bepaalde giftige metalen (o.a. aluminium en cadmium) in de bodem op en komen dan in het grondwater terecht.

- Wortelharen worden beschadigd. waardoor planten minder goed water en mineralen kunnen opnemen.

- Huidmondjes worden beschadigd, waardoor de verdamping uit de bladeren toeneemt.

- De fotosynthese wordt geremd: planten groeien minder goed.

- Planten verzwakken, zodat ze minder weerstand hebben tegen ziekteverwekkers (bacteriën en schimmels).

- (Naald)bomen worden ziek en kunnen sterven.

- In veel meren en vennen komt (bijna) geen leven meer voor.

- Gebouwen en beeldhouwwerken worden aangetast.

- Gevolgen van ozon en zwaveldioxide.

- Aantasting van longweefsel bij dieren en mensen, o.a. door vorming van smog (vettige mist die ozon, zwaveldioxide en roet bevat).

- Ozon beschadigt bladeren en remt de groei van planten.

Feit 8

Je moet kunnen beschrijven wat het broeikaseffect is en oorzaken en gevolgen van versterking van het broeikaseffect kunnen noemen.

- Broeikaseffect: een deel van de warmte-uitstraling van de aarde wordt tegengehouden door gassen in de dampkring (broeikasgassen).

- Zonder dit broeikaseffect zou de temperatuur op aarde ruim 30 graden C lager zijn.

- De belangrijkste broeikasgassen zijn koolstofdioxide en waterdamp.

- Oorzaken van versterking van het broeikaseffect.

- Door toenemend energiegebruik worden steeds meer steenkool, aardolie, benzine en aardgas verbrand. Daardoor komt er steeds meer koolstofdioxide in de lucht.

- Ontbossing: door het platbranden van tropisch regenwoud komt veel koolstofdioxide in de lucht.

- Bio-industrie: uit de mest komt een gas vrij, dat in de dampkring werkt als broeikasgas.

- Gevolgen van versterking van het broeikaseffect.

- Klimaatsverandering: stijging van de gemiddelde temperatuur op aarde.

- Stijging van de zeespiegel doordat een deel van het poolijs en het ijs op gletsjers zal smelten: laaggelegen gebieden lopen het gevaar onder water te verdwijnen.

- Droogte in bepaalde gebieden (woestijnvorming) en grote kans op hittegolven, orkanen en overstromingen.

Feit 9

Je moet kunnen omschrijven wat vermesting is en oorzaken en gevolgen van vermesting kunnen noemen.

- Vermesting: sterke toename van de hoeveelheid mineralen (vooral fosfaat en nitraat) in oppervlaktewater, waardoor voedselrijk water ontstaat.

- Vermesting door vervuiling van het water met organische stoffen:

- resten van dode planten en dieren;

- lozing van afvalwater met veel organisch afval (bijv. van voedingsmiddelenindustrieën);

- bemesting met stalmest (door te veel te bemesten spoelt een deel van de mest van het land af en komt terecht in oppervlaktewater).

- Zelfreinigend vermogen van het water: reducenten (bacteriën en schimmels) breken met behulp van zuurstof de organische afvalstoffen af. Bij deze afbraak ontstaat koolstofdioxide en komen mineralen vrij.

- Vermesting door gebruik van kunstmest:

- een deel van de mineralen komt terecht in het oppervlaktewater.

- Gevolgen van vermesting.

- Door de omzetting van voedselarm water in voedselrijk water verandert de soortensamenstelling in ecosystemen.

- Waterbloei: sterke toename van de hoeveelheid algen in het water.

- Gevolgen van waterbloei.

- Door de algengroei wordt het water troebel.

- Ondergedoken waterplanten sterven, doordat ze minder licht ontvangen.

- Roofvissen (o.a. snoeken) verdwijnen, doordat ze hun prooi niet meer kunnen vinden.

- Witvissoorten (o.a. brasems) breiden zich daardoor sterk uit. Deze soorten vissen eten grote hoeveelheden watervlooien.

- Watervlooien voeden zich met algen. Doordat veel watervlooien verdwijnen, vindt nog meer algengroei plaats.

- De algen sterven na enige tijd. Dit leidt tot grote hoeveelheden organische afvalstoffen in het water, waardoor reducenten zich snel vermeerderen.

- Doordat de reducenten veel zuurstof gebruiken, ontstaat zuurstofgebrek. Daardoor sterven veel dieren, wat leidt tot nog meer organische afvalstoffen.

- Uiteindelijk kan stinkend, dood water ontstaan.

Feit 10

Je moet oorzaken en gevolgen van vervuiling van water met chemische afvalstoffen en met koelwater kunnen noemen.

- Oorzaken van watervervuiling met chemische afvalstoffen.

- Lozing van zuurstofarm industrieel afvalwater met chemische afvalstoffen (o.a. giftige zware metalen zoals cadmium, kwik, lood, zink).

- Gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen (een deel komt terecht in het oppervlaktewater en grondwater).

- Doorspoelen van huishoudelijk afvalwater met chemische afvalstoffen (bijv. terpentine) via het riool.

- Gevolgen van watervervuiling met chemische afvalstoffen.

- Vermindering van het zelfreinigend vermogen van het water.

- Accumulatie van giftige stoffen in voedselketens.

- Bedreiging van de kwaliteit van het drinkwater.

- Bedreiging van de recreatie.

- Versterking van algengroei doordat watervlooien sterven.

- Rioolwaterzuivering.

- Filtering van het grote vuil.

- Biologische zuivering door reducenten.

- Thermische waterverontreiniging: lozing van warm koelwater van machines en elektriciteitscentrales.

- Doordat warm water minder zuurstof kan bevatten dan koud water kan in het oppervlaktewater zuurstofgebrek ontstaan.

Feit 11

Je moet oorzaken en gevolgen van aantasting van de bodem door ontbossing, verdroging en bodemvervuiling kunnen noemen.

- Oorzaken van ontbossing:

- de behoefte aan brandhout, hardhout en landbouwgrond.

- Gevolgen van ontbossing:

- door erosie verlies van vruchtbare grond en woestijnvorming.

- Oorzaken van verdroging:

- daling van de grondwaterstand door kanalisering en toenemend waterverbruik (waarvoor grondwater wordt opgepompt).

- Gevolgen van verdroging:

- afname van het aantal soorten planten en dieren;

- vermindering van de gezondheidstoestand van bomen.

- Oorzaken van bodemvervuiling:

- storten van industrieel chemisch afval of klein chemisch afval;

- uitstoot van lood door het wegverkeer.

- Gevolgen van bodemvervuiling:

- een bodem waarop niet meer kan worden geleefd door mensen zodat bodemafgraving (bodemsanering) noodzakelijk is;

- vervuiling van het grondwater;

- accumulatie van o.a. lood in voedselketens.

Feit 12

Je moet vier methoden van afvalverwerking met de voor- en nadelen kunnen noemen.

- Recycling: afvalproducten gebruiken als grondstoffen voor nieuwe producten (glas, papier, blik, plastic en andere kunststoffen).

- Voordeel: besparing van grondstoffen.

- Nadeel: gescheiden inzameling van afval is noodzakelijk.

- Composteren: reducenten breken GFT-afval (groente-, fruit- en tuinafval) af tot compost. Compost wordt gebruikt om de bodem te verbeteren.

- Voordeel: mineralen uit GFT-afval komen weer ter beschikking van planten.

- Nadeel: slechts een deel van het GFT-afval wordt gecomposteerd, omdat niet meer compost kan worden verkocht.

- Storten op een vuilnisbelt.

- Voordelen: gemakkelijk en goedkoop.

- Nadelen: bodem- en grondwatervervuiling, verstoring van het landschap en verspilling van grondstoffen.

- Verbranden in verbrandingsovens.

- Voordelen: kost weinig ruimte en er komt energie vrij.

- Nadelen: luchtvervuiling, verspilling van grondstoffen en er blijven giftige verbrandingsresten over.

Feit 13

Je moet maatregelen kunnen noemen om het milieu te beschermen.

- Maatregelen om de uitstoot van koolstofdioxide, zwaveldioxide, stikstofoxiden en andere afvalgassen te beperken:

- industrie, elektriciteitscentrales en huishoudens moeten zuiniger omgaan met energie;

- stimulering van de ontwikkeling van alternatieve energiebronnen (zonne-energie en windenergie);

- reiniging van de rookgassen van industrie (olieraffinaderijen) en elektriciteitscentrales;

- vermindering van het autogebruik en bevorderen van het openbaar vervoer;

- reiniging van uitlaatgassen van auto's door gebruik van een katalysator

- Maatregelen om het mestoverschot en de uitstoot van ammoniak te verminderen:

- er mogen geen nieuwe bedrijven voor intensieve veehouderij bijkomen en bestaande bedrijven mogen alleen uitbreiden door overname van andere bedrijven;

- beperking van de verspreiding van mest (Meststoffenwet);

- oprichting van mestbanken (regeling van het transport van mest naar gebieden met een mesttekort);

- stimulering van de verwerking van mest (bijv. tot biogas of mestkorrels);

- modernisering van stallen waardoor er vrijwel geen ammoniak ontsnapt;

- mestinjectie, waardoor er minder ammoniak in de lucht komt;

- bijhouden van een mineralenboekhouding.

- Maatregelen om de hoeveelheid afval te verminderen en afval milieuvriendelijk te verwerken:

- beperking van verpakkingsafval;

- stimulering van hergebruik van afgedankte producten (bijv. kleding, meubilair, auto-onderdelen);

- stimulering van gescheiden inzameling van o.a. GFT-afval, glas, papier, blik, plastic en andere kunststoffen, klein chemisch afval;

- stimulering van recycling en composteren.

- Maatregelen ter bescherming van natuur en landschap:

- beheren van natuurgebieden door de overheid en organisaties (o.a. Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten);

- vergroting van de hoeveelheid natuurgebied door herinrichting van het landschap als natuurgebied (hierdoor kunnen verspreid liggende natuurgebieden aaneengesloten worden).