biologie

14 T5 voeding en vertering

Feit 1

Je moet kunnen beschrijven welke rol bacteriën en schimmels spelen bij de voedselproductie en bij voedselbederf.

- Bacteriën worden gebruikt bij de productie van yoghurt en zuurkool.

- Yoghurt: aan warme melk worden speciale soorten bacteriën toegevoegd. Deze bacteriën zetten energierijke stoffen in melk om in melkzuur

- Zuurkool: bacteriën op fijngesneden witte kool produceren melkzuur.

- Schimmels worden gebruikt bij de productie van bier en wijn.

- Bier: aan graankorrels wordt gist toegevoegd. De gistcellen zetten de koolhydraten in graankorrels om in o.a. alcohol.

- Wijn: gist zet de koolhydraten in druivensap om in o.a. alcohol.

- Micro-organismen (bacteriën en schimmels) kunnen voedselbederf veroorzaken.

- Bij dierlijke voedingsmiddelen wordt bederf meestal veroorzaakt door salmonellabacteriën.

- Voedselvergiftiging: ontstaat vaak door het nuttigen van voedsel dat is besmet met salmonellabacteriën.

Feit 2

Je moet manieren kunnen noemen waarop voedsel kan worden geconserveerd.

- Invriezen (bijv patates frites): de temperatuur verlagen tot -20 graden C.

- Hierbij zijn de micro-organismen niet actief, doordat hun enzymen niet werken.

- Pasteuriseren (bijv. melk): verhitten tot een temperatuur waarbij de meeste micro-organismen doodgaan.

- Bij pasteuriseren blijft de smaak van het voedsel goed bewaard.

- Steriliseren (bijv. melk): verhitten tot een temperatuur waarbij alle microorganismen doodgaan.

- Bij steriliseren verandert de smaak van het voedsel.

- Inblikken (bijv. groenten): na verhitting wordt het voedsel luchtdicht verpakt.

- Vacuüm verpakken (bijv. koffie): hierbij wordt alle lucht uit de verpakking weggezogen.

- Drogen (bijv. krenten): onttrekken van water aan het voedsel.

- In een milieu zonder water kunnen micro-organismen niet leven.

- Bestralen: hierbij wordt een straling gebruikt die dodelijk is voor micro-organismen.

- Natuurlijke conserveermiddelen toevoegen: in een zuur milieu of in een milieu met veel suiker of veel zout kunnen micro-organismen niet leven.

- Bij uitjes en augurken wordt veel zuur toegevoegd.

- Bij het confijten van jam wordt veel suiker toegevoegd.

- Bij het zouten van vis of vlees wordt veel zout toegevoegd.

- Kunstmatige conserveermiddelen toevoegen (bijv. sulfiet in dranken).

Feit 3

Je moet de functies van voedingsstoffen en voedingsvezel in voedingsmiddelen kunnen noemen.

- Voedingsmiddelen: alle producten die je eet of drinkt.

- Voedingsstoffen: de bruikbare bestanddelen van voedingsmiddelen.

- Bouwstoffen: worden gebruikt bij de vorming van cellen en weefsels (vooral bij groei, ontwikkeling en herstel van het lichaam).

- Brandstoffen: worden verbruikt bij de verbranding. Ze leveren energie, o.a. voor beweging en voor het op peil houden van de lichaamstemperatuur.

- Reservestoffen: worden opgeslagen in bepaalde delen van het lichaam.

- Beschermende stoffen: zorgen ervoor dat je gezond blijft.

- Voedingsvezel: alle onverteerbare stoffen in plantaardig voedsel.

- Functie: bevorderen van de darmperistaltiek.

Feit 4

Je moet zes groepen voedingsstoffen met hun functies en kenmerken kunnen noemen.

- Eiwitten.

- Functies: vooral bouwstoffen, ook brandstoffen.

- Bij de vorming van cytoplasma worden veel eiwitten gebruikt.

- Dierlijke voedingsmiddelen en peulvruchten bevatten veel eiwitten.

- Een teveel aan opgenomen eiwitten wordt verbruikt als brandstoffen, niet als reservestoffen.

- Koolhydraten.

- Functies: vooral brandstoffen, ook bouwstoffen en reservestoffen. - Voorbeelden: glucose, suiker, zetmeel.

- Zetmeel komt alleen voor in plantaardige voedingsmiddelen.

- Een teveel aan opgenomen koolhydraten wordt omgezet in glycogeen of vet en opgeslagen.

- Vetten.

- Functies: vooral brandstoffen, ook bouwstoffen en reservestoffen.

- Een teveel aan opgenomen vetten wordt opgeslagen, vooral onder de huid.

- Water

- Functie: bouwstof.

- Water vervult een belangrijke functie bij het vervoer van stoffen in het lichaam.

- Organismen bestaan voor het grootste deel uit water.

- Mineralen (zouten).

- Functies: bouwstoffen en beschermende stoffen.

- Voorbeelden: kalkzouten (in beenderen), ijzerzouten (in hemoglobine).

- Vitamines.

- Functies: bouwstoffen en beschermende stoffen.

- Vitamines worden aangegeven met een letter (bijv. A, B, C en D).

Feit 5

Je moet adviezen voor een gezonde voeding kunnen geven.

- De voedingswijzer geeft tien adviezen voor een gezonde voeding.

- In de voedingsmiddelentabel is van veel voedingsmiddelen de samenstelling en de verbrandingswarmte weergegeven.

- Eet niet meer dan je lichaam nodig heeft.

- Om aan je energiebehoefte te voldoen moet je voeding voldoende brandstoffen bevatten.

- De energiebehoefte is o.a. afhankelijk van het geslacht, de leeftijd, de lichaamsgrootte en de lichamelijke inspanning.

- Bij zuigelingen en bij pubers moet de voeding veel bouwstoffen, maar ook veel brandstoffen bevatten (vanwege een groeispurt).

- Oudere personen hebben niet veel bouwstoffen nodig.

- Ondervoeding: je krijgt minder voedingsstoffen binnen dan je lichaam nodig heeft.

- Overvoeding: je eet te veel of te vet.

- Overvoeding kan leiden tot vetzucht.

- Als je wilt vermageren meet je een vermageringsdieet volgen (opgesteld door een diëtist). Een vermageringsdieet bevat voedingsmiddelen met een lage verbrandingswarmte (weinig Kj).

- Zorg ervoor dat je schadelijke stoffen en kunstmatige additieven niet in grote hoeveelheden binnenkrijgt.

- Additieven: stoffen die aan voedingsmiddelen worden toegevoegd om ze langer houdbaar of aantrekkelijker te maken (bijv conserveermiddelen, geur-, kleur- en smaakstoffen).

Feit 6

Je moet kunnen omschrijven wat vertering is.

- Vertering: het omzetten van voedingsstoffen die niet door de darmwand heen in het bloed kunnen worden opgenomen, in verteringsproducten die wel kunnen worden opgenomen in het bloed.

- Eiwitten, de meeste koolhydraten (o.a. suiker en zetmeel) en vetten worden verteerd.

- Glucose, mineralen, vitamines en water hoeven niet te worden verteerd.

- Vertering vindt plaats met behulp van verteringssappen.

- Verteringssappen worden gemaakt door verteringsklieren.

- Veel verteringssappen bevatten enzymen.

Feit 7

Je moet kunnen beschrijven hoe de darmperistaltiek tot stand komt en de functies ervan kunnen noemen.

- Darmperistaltiek (peristaltische bewegingen): het afwisselend samentrekken en ontspannen van kringspieren en lengtespieren in de wand van het gehele darmkanaal.

- Functie: het verplaatsen en kneden van de voedselbrij en het mengen van de voedselbrij met verteringssappen.

- Voedingsvezel bevordert de darmperistaltiek.

Feit 8

Je moet de delen van een tand of kies kunnen noemen met hun kenmerken en functies.

- Uitwendige bouw van een tand of kies.

- Kroon: deel dat buiten de kaak uitsteekt.

- Wortel(s): deel in de kaak.

- Inwendige bouw van een tand of kies.

- Tandbeen.

- Tandholte: holte in het tandbeen waarin bloedvaten en zenuwen liggen.

- Glazuur: zeer harde laag om het tandbeen van de kroon.

- Cement: laagje om het tandbeen van de wortel(s).

- Wortelvlies: bevestigt de tand of kies in de kaak. (De kaak is bedekt met tandvlees).

Feit 9

Je moet de delen van een gebit kunnen noemen met hun kenmerken en functies.

- Snijtanden (beitelvormig).

- Functie: het afbijten van voedsel.

- Elke kaakhelft heeft twee snijtanden.

- Hoektanden (met puntige bovenkant).

- Functie: het afbijten van voedsel.

- Elke kaakhelft heeft een hoektand.

- Kiezen (met knobbelige bovenkant).

- Functie: het fijnmalen van voedsel.

- Elke kaakhelft heeft vijf kiezen (waarvan een verstandskies, die bij sommige mensen niet verschijnt).

Feit 10

Je moet kunnen omschrijven wat tandplak is, de gevolgen ervan kunnen noemen en kunnen aangeven hoe je tandplak kunt tegengaan.

- Tandplak: een dun laagje aanslag dat zich dagelijks op de tanden en kiezen afzet.

- Tandplak bestaat uit bacteriën, etensresten en speeksel.

- Gevolgen van tandplak.

- Bacteriën in tandplak zetten suiker uit het voedsel om in zuur. In het zuur lost het glazuur van tanden en kiezen op.

- Bacteriën in tandplak kunnen tandvleesontsteking veroorzaken. Daardoor kunnen de wortelvliezen ontstoken raken, zodat de tanden en kiezen losraken.

- Tandplak kan verkalken tot tandsteen. Tandsteen kun je niet zelf verwijderen.

- Je kunt tandplak en tandbederf tegengaan door:

- dagelijks minstens een keer op de juiste manier te poetsen;

- niet vaker dan viermaal per dag een tussendoortje te gebruiken.

Feit 11

Je moet de delen van het verteringsstelsel van de mens kunnen noemen met hun functies en kenmerken.

- Mondholte met gebit en speekselklieren.

- Functie gebit: het voedsel in kleine stukjes verdelen (kauwen). zodat het beter in te slikken is. Ook wordt het oppervlak van het voedsel vergroot, zodat voedingsstoffen beter bereikbaar zijn voor de enzymen.

- Functie speekselklieren: produceren van speeksel.

- Slokdarm.

- Functie: het voedsel verplaatsen van de keelholte neer de maag.

- Maag.

- Functie: het voedsel tijdelijk opslaan.

- Maagportier: kringspier die de maag afsluit.

- Maagsapklieren produceren maagsap.

- Lever.

- Functie: produceren van gal.

- Gal wordt tijdelijk opgeslagen in de galblaas en afgevoerd via de galbuis.

- Alvleesklier.

- Functie: alvleessap produceren.

- Twaalf vingerige darm.

- Functie: gal en alvleessap vermengen met de voedselbrij.

- Dunne darm.

- Functie: voedingsstoffen, verteringsproducten en water opnemen in het bloed.

- Door darmplooien en darmvlokken heeft de wand een groot oppervlak. De darmvlokken bevatten veel bloedvaten.

- Darmsapklieren produceren darmsap.

- Blindedarm met wormvormig aanhangsel (appendix).

- Bij blindedarmontsteking is het wormvormig aanhangsel ontstoken.

- Dikke darm.

- Functie: water onttrekken aan de brij van onverteerde voedselresten, die daardoor wordt ingedikt. Het water wordt opgenomen in het bloed.

- Bij diarree wordt in de dunne darm en in de dikke darm onvoldoende water in het bloed opgenomen.

- Bacteriën verteren cellulose in de celwanden van plantaardige voedselresten. Hierbij ontstaat glucose.

- Endeldarm.

- Functie: verzamelen en tijdelijk opslaan van onverteerde voedselresten (ontlasting).

- Anus: kringspier die de endeldarm afsluit.

Feit 12

Je moet de verteringssappen kunnen noemen met hun functies.

- Speeksel: bevat o.a. slijm en een enzym.

- Functie slijm: de glijbaarheid van het voedsel verhogen.

- Functie enzym: zetmeel voor een deel verteren.

- Functie speeksel: een deel van de bacteriën in het voedsel doden.

- Maagsap: bevat o.a. zoutzuur en een enzym.

- Functie zoutzuur: bacteriën in het voedsel doden.

- Functie enzym: eiwitten voor een deel verteren.

- Gal: bevat geen enzym.

- Functie: vetten emulgeren (grote vetdruppels verdelen in kleine vetdruppeltjes), zodat de vetten beter bereikbaar zijn voor de enzymen.

- Alvleessap: bevat verschillende enzymen.

- Functie: eiwitten, koolhydraten en vetten verteren.

- Darmsap: bevat verschillende enzymen.

- Functie: de vertering van eiwitten en koolhydraten afmaken.

Feit 13

Je moet bij zoogdieren het verband kunnen aangeven tussen de voedselkeuze, de lengte van het darmkanaal en de kenmerken van het gebit.

- Plantaardig voedsel is moeilijker verteerbaar dan dierlijk voedsel, doordat plantaardig voedsel celwanden van cellulose bevat.

- Planteneters (herbivoren).

- Het darmkanaal is in verhouding tot de lichaamslengte lang.

- De kiezen zijn plooikiezen, waarmee plantaardig voedsel kan worden fijngemalen.

- De hoektanden ontbreken vaak.

- Vleeseters (carnivoren).

- Het darmkanaal is in verhouding tot de lichaamslengte kort.

- De kiezen zijn knipkiezen, waarmee dierlijk voedsel in stukken kan worden geknipt.

- De hoektanden zijn meestal groot, spits en scherp.

- Alleseters (omnivoren).

- Het darmkanaal is in verhouding tot de lichaamslengte middellang.

- De kiezen zijn knobbelkiezen, waarmee het voedsel kan worden geknipt en gemalen.

- De hoektanden zijn altijd aanwezig.