biologie

15 T6 gaswisseling

Feit 1

Je moet het verband tussen de lichaamsgrootte van een dier en de wijze van gaswisseling kunnen beschrijven.

- Hoe groter een organisme is, des te kleiner is in verhouding het oppervlak van het lichaam.

- Veel kleine dieren hebben geen speciale gaswisselingsorganen.

- Bij deze dieren vindt gaswisseling plaats via het lichaamsoppervlak.

- Bij eencellige dieren vindt gaswisseling plaats via het celmembraan.

- Grote dieren hebben speciale gaswisselingsorganen.

- Bij veel grote dieren is het lichaamsoppervlak (de huid) ondoorlaatbaar voor gassen.

- Gaswisseling vindt plaats in tracheeën, kieuwen of longen.

Feit 2

Je moet kunnen beschrijven hoe de gaswisseling plaatsvindt bij insecten en bij gewervelde dieren.

- Insecten: gaswisseling in tracheeën.

- Tracheeën: sterk vertakte luchtbuizen door het hele lichaam.

- De vertakkingen van de tracheeën eindigen overal in het lichaam. Het bloed vervult geen functie bij het transport van gassen.

- Stigma's: de openingen van de tracheeën.

- Insecten verversen de lucht in de tracheeën door pompende bewegingen met het achterlijf.

- Vissen: gaswisseling in kieuwen.

- Kieuwdeksels: bedekken de kieuwholten met daarin de kieuwen.

- Kieuwbogen met kieuwplaatjes.

- In de kieuwplaatjes liggen veel fijne bloedvaatjes.

- Vissen verversen het water in de kieuwholten door via de bek en de kieuwdeksels voortdurend water langs de kieuwen te laten stromen.

- Amfibieën.

- Jonge amfibieën: gaswisseling in kieuwen en via de huid.

- Volwassen amfibieën: gaswisseling in longen en via de huid.

- Reptielen, vogels en zoogdieren: gaswisseling in longen.

- De longen van zoogdieren zijn ingewikkelder gebouwd dan die van reptielen.

Feit 3

Je moet de verschillen tussen ingeademde en uitgeademde lucht kunnen noemen.

Ingeademde lucht

- 79 procent stikstof

- 20 procent zuurstof

- 1 procent edelgassen

- 0,04 procent koolstofdioxide

- maakt kalkwater niet troebel

- bevat weinig waterdamp

- temperatuur meestal lager dan 32 graden C

Uitgeademde lucht

- 79 procent stikstof

- 16 procent zuurstof

- 1 procent edelgassen

- 4 procent koolstofdioxide

- maakt kalkwater wel troebel

- bevat veel waterdamp

- temperatuur ca. 32 graden C

Feit 4

Je moet de delen van het ademhalingsstelsel van de mens kunnen noemen met hun kenmerken en functies.

- Neusholte.

- Neusharen houden grove stofdeeltjes tegen.

- De neusholte is bekleed met neusslijmvlies (met slijmproducerende cellen en trilhaarcellen).

- Functie slijm: hieraan blijven fijne stofdeeltjes en ziekteverwekkers kleven.

- Functie trilharen: verplaatsen van het slijm naar de keelholte.

- Het bloed in de bloedvaten in het neusslijmvlies verwarmt de binnenstromende lucht.

- Het neusslijmvlies en het traanvocht maken de binnenstromende lucht vochtig.

- Het reukzintuig keurt de binnenstromende lucht.

- Mondholte.

- De binnenstromende lucht wordt minder verwarmd, minder vochtig gemaakt en minder gezuiverd dan in de neusholte. Ook wordt de lucht niet gekeurd.

- Keelholte met huig en strotklepje.

- Als je ademhaalt, staan de huig en het strotklepje open.

Lucht kan dan van de neusholte naar de luchtpijp en omgekeerd.

- Als je slikt, sluit de huig de neusholte af. Het strotklepje sluit dan de luchtpijp af.

- Voedsel kan dan van de mondholte in de slokdarm terechtkomen.

- Als je je verslikt, staan de huig en het strotklepje open.

Voedsel kan dan van de mondholte in de neusholte en in de luchtpijp terechtkomen (je gaat dan hoesten).

- Strottenhoofd.

- Hierin bevinden zich de stembanden.

- Luchtpijp.

- Aan de binnenkant bekleed met slijmvlies (met slijmproducerende cellen en trilhaarcellen).

- De wand is verstevigd door hoefijzervormige kraakbeenringen.

Functie: openhouden van de luchtpijp.

- Bronchiën met vertakkingen.

- Aan de binnenkant bekleed met slijmvlies (met slijmproducerende cellen en trilhaarcellen).

- De wand van de bronchiën bevat kraakbeenringen. De wand van de fijnste vertakkingen bevat spierweefsel.

- Longblaasjes met longhaarvaten.

- Zuurstof wordt vanuit de lucht in de longblaasjes opgenomen in het bloed in de longhaarvaten.

- Koolstofdioxide wordt vanuit het bloed in de longhaarvaten afgegeven aan de lucht in de longblaasjes.

- De gaswisseling in de longen kan snel plaatsvinden, doordat de longblaasjes en de longhaarvaten een dunne wand hebben en doordat alle longblaasjes samen een groot oppervlak hebben.

Feit 5

Je moet kunnen beschrijven hoe ribademhaling en hoe middenrifademhaling plaatsvinden. Ook moet je kunnen omschrijven wat hoesten en hikken is.

- Ventilatiebewegingen bij ribademhaling (borstademhaling).

- Inademing: bepaalde tussenribspieren trekken de ribben en het borstbeen omhoog en naar voren.

- Rustige uitademing: de tussenribspieren ontspannen zich. De ribben en het borstbeen zakken door hun gewicht weer omlaag en terug.

- Diepe uitademing: andere tussenribspieren trekken de ribben en het borstbeen verder omlaag.

- Ventilatiebewegingen bij middenrifademhaling (buikademhaling).

- Inademing: de middenrifspieren trekken het middenrif omlaag. Door de verhoogde druk in de buikholte gaat de buikwand naar voren.

- Rustige uitademing: de middenrifspieren ontspannen zich. Door de druk in de buikholte wordt het middenrif weer omhooggedrukt.

- Diepe uitademing: buikspieren trekken zich samen en drukken de organen in de buik naar binnen. Hierdoor wordt het middenrif verder omhooggedrukt.

- Bij gewone ademhaling vinden ribademhaling en middenrifademhaling beide plaats.

- Volgorde bij inademen.

1. De ribben en het borstbeen bewegen omhoog en naar voren; het middenrif beweegt omlaag (en de buikwand naar voren).

2. De borstholte wordt groter.

3. Het longvolume wordt groter.

4. Lucht stroomt naar binnen.

- Volgorde bij uitademen.

1. De ribben en het borstbeen bewegen omlaag en terug; het middenrif beweegt omhoog (en de buikwand terug).

2. De borstholte wordt kleiner.

3. Het longvolume wordt kleiner.

4. Lucht stroomt naar buiten.

- Hoesten: door een plotselinge, krachtige uitademing wordt slijm of voedsel uit de luchtwegen verwijderd.

- Hikken: krampachtige samentrekkingen van de middenrifspieren.

- Bij hikken stroomt lucht de longen in.

Feit 6

Je moet kunnen omschrijven wat er aan de hand is bij CARA en bij hooikoorts. Ook moet je de schadelijke effecten van roken kunnen beschrijven.

- CARA is een verzamelnaam voor astma, bronchitis en longemfyseem.

- De verschijnselen van deze ziekten lijken sterk op elkaar benauwdheid en veel hoesten.

- Bij astma trekt het spierweefsel in de wand van de fijnste vertakkingen van de bronchiën zich onbewust samen. Vaak is ook het slijmvlies in deze vertakkingen verdikt.

- Bij bronchitis zijn de luchtpijp, de bronchiën of de vertakkingen van de bronchiën ontstoken.

- Bij longemfyseem zijn de fijnste vertakkingen van de bronchiën en de longblaasjes minder elastisch geworden.

- CARA-patiënten zijn erg gevoelig voor stofdeeltjes in de lucht (bijv bij smog). Ze moeten rokerige en stoffige ruimtes en contact met dieren vermijden.

- Hooikoorts: een allergie voor stuifmeelkorrels of schimmelsporen.

- Allergie: een overgevoeligheid voor een of meer stoffen. Als het lichaam in aanraking komt met deze stoffen, ontstaan allergische reacties.

- Allergische reacties bij hooikoorts: een brandend of jeukend gevoel in ogen, neus of keel, veel niezen, soms ontstoken slijmvliezen.

- Sigarettenrook is een mengsel van gassen en fijne teerdruppeltjes.

- Een van deze gassen is koolstofmono-oxide. Door koolstofmono-oxide kan het bloed minder zuurstof vervoeren.

- De fijne teerdruppeltjes bevatten verschillende kankerverwekkende stoffen (o.a. nicotine).

- De fijne teerdruppeltjes vormen een laagje aan de binnenwand van de longblaasjes, waardoor de gaswisseling in de longen minder goed kan plaatsvinden.