biologie

16 T7 transport

Feit 1

Je moet de bestanddelen van het bloed kunnen noemen met hun kenmerken en functies. Ook moet je kunnen beschrijven hoe bloedstolling plaatsvindt.

- Bloedplasma:

- water (90 procent);

- bloedeiwitten, o.a. fibrinogeen en antistoffen;

- hormonen;

- voedingsstoffen, o.a. glucose, mineralen (zouten), vitamines en de verteringsproducten van koolhydraten, eiwitten en vetten; - zuurstof (een klein beetje);

- koolstofdioxide en andere afvalstoffen.

- Rode bloedcellen:

- ronde schijfjes, in het midden iets dunner dan aan de rand;

- cellen zonder celkern (leven daardoor betrekkelijk kort);

- worden gevormd in het rode beenmerg;

- worden afgebroken in het rode beenmerg, in de milt en in de lever;

- bevatten hemoglobine met ijzerzouten;

- functie: vervoeren van zuurstof.

- Witte bloedcellen:

- kunnen van vorm veranderen (ze kunnen daardoor door de wand van haarvaten heen);

- cellen met celkern;

- worden gevormd in het rode beenmerg (bepaalde witte bloedcellen ontwikkelen zich verder in de lymfeknopen); - functie: opruimen van dode celresten en afweer tegen ziekteverwekkers.

- Bloedplaatjes:

- delen (zonder celkern) van uiteengevallen cellen;

- worden gevormd in het rode beenmerg;

- functie: bloedstolling.

- Bloedstolling:

- bij beschadiging van een bloedvat komen stoffen vrij uit bloedplaatjes; - onder invloed van deze stoffen wordt fibrinogeen omgezet in fibrine;

- fibrine vormt een netwerk van draden, waartussen bloedcellen blijven hangen;

- er ontstaat een stolsel waardoor de wond wordt afgesloten;

- door indroging ontstaat een korstje.

Feit 2

Je moet kunnen omschrijven wat bloedarmoede, leukemie en bloederziekte is.

- Bloedarmoede: het bloed bevat te weinig hemoglobine.

- Iemand met bloedarmoede heeft vaak hoofdpijn en voelt zich voortdurend moe of duizelig.

- Mogelijke oorzaak: het voedsel bevat te weinig ijzerzouten.

- Leukemie: in het lichaam worden abnormaal veel witte bloedcellen geproduceerd (en te weinig rode bloedcellen en bloedplaatjes)

- Leukemie is een vorm van kanker.

- Bloederziekte: erfelijke afwijking waardoor het bloed niet goed stolt.

- Komt vrijwel uitsluitend voor bij mannen.

Feit 3

Je moet de delen van het hart kunnen noemen met hun kenmerken en functies.

- Rechterboezem:

- ontvangt zuurstofarm bloed uit de holle aders en voert dit door neer de rechterkamer;

- weinig gespierde wand.

- Rechterkamer:

- pompt zuurstofarm bloed in de longslagader;

- gespierde wand.

- Linkerboezem:

- ontvangt zuurstofrijk bloed uit de longaders en veert dit door neer de linkerkamer;

- weinig gespierde wand.

- Linkerkamer:

- pompt zuurstofrijk bloed in de aorta;

- zeer gespierde wand.

- Harttussenwand:

- scheidt de linker- en rechterharthelft.

- Hartkleppen:

- kleppen tussen boezems en kamers;

- verhinderen het terugstromen van bloed van kamers naar boezems.

- Halvemaanvormige kleppen:

- kleppen aan het begin van de longslagader en de aorta;

- verhinderen het terugstromen van bloed uit de longslagader en aorta naar de kamers.

- Kransslagaders:

- aftakkingen van de aorta;

- hierdoor stroomt bloed dat rijk is aan zuurstof en voedingsstoffen (o.a. glucose) neer de hartspier

- Kransaders:

- hierdoor stroomt bloed dat rijk is aan koolstofdioxide en andere afvalstoffen weg uit de hartspier.

Feit 4

Je moet de werking van het hart kunnen beschrijven.

- Samentrekken van de boezems.

- De boezems trekken zich samen. Hierdoor stroomt het bloed naar de kamers.

- De hartkleppen zijn open; de halvemaanvormige kleppen zijn dicht.

- Samentrekken van de kamers

- De kamers trekken zich samen.

- De hartkleppen gaan dicht.

- De druk in de kamers stijgt.

- De halvemaanvormige kleppen geen open.

- Het bloed wordt in de longslagader en de aorta gepompt.

- Hartpauze.

- Bloed stroomt vanuit de holle aders en de longaders in de boezems en kamers.

- De hartkleppen zijn open; de halvemaanvormige kleppen zijn dicht.

- Hartritme: het aantal hartslagen per minuut.

- De impulsen die het samentrekken van het hartspierweefsel veroorzaken ontstaan in het hart zelf. Het zenuwstelsel kan dit beïnvloeden.

- Bij lichamelijke inspanning en onder invloed van het hormoon adrenaline (dat vrijkomt bij angst, schrik en woede) wordt het hartritme verhoogd.

Feit 5

Je moet drie typen bloedvaten kunnen noemen met hun kenmerken en functies.

- Slagaders:

- hierdoor stroomt bloed van het hart weg;

- hoge bloeddruk;

- dikke, stevige en elastische wand;

- "slag"merkbaar, o.a. in de polsen;

- meestal diep in het lichaam gelegen;

- alleen halvemaanvormige kleppen (aan het begin van longslagader en aorta).

- Haarvaten:

- wand van een cellaag dik;

- witte bloedcellen en vocht met o.a. zuurstof, voedingsstoffen, koolstofdioxide en andere afvalstoffen kunnen door de wand.

- Aders:

- hierdoor stroomt bloed naar het hart toe;

- lage bloeddruk;

- dunne wand;

- geen "slag" merkbaar;

- meestal ondiep in het lichaam gelegen;

- op veel plaatsen liggen kleppen, die verhinderen dat het bloed terugstroomt.

Feit 6

Je moet de delen van het bloedvatenstelsel kunnen noemen en de stroomrichting van het bloed erin kunnen aangeven.

Dubbele bloedsomloop: per omloop stroomt het bloed twee keer door het hart.

- Kleine bloedsomloop: rechterkamer- longslagaders - longaders - linkerboezem.

- Grote bloedsomloop: linkerkamer - aorta - armslagaders - armaders halsslagaders - halsaders - leverslagader- leverader - darmslagader - poortader - nierslagaders - nieraders - beenslagaders - beenaders onderste holle ader - bovenste holle ader - rechterboezem.

Feit 7

Je moet het zuurstofgehalte en het glucosegehalte van het bloed in slagaders en aders kunnen aangeven.

- Zuurstofgehalte van het bloed.

- Door slagaders van de kleine bloedsomloop stroomt zuurstofarm bloed.

- Door aders van de kleine bloedsomloop stroomt zuurstofrijk bloed.

- Door slagaders van de grote bloedsomloop stroomt zuurstofrijk bloed.

- Door aders van de grote bloedsomloop (waaronder de poortader) stroomt zuurstofarm bloed.

- Glucosegehalte van het bloed.

- In de poortader treden de grootste schommelingen in het glucosegehalte op.

- In de leverader is het glucosegehalte van het bloed gemiddeld het hoogst.

- Van de overige bloedvaten is het glucosegehalte van het bloed in een slagader hoger dan in de bijbehorende ader.

Feit 8

Je moet oorzaken en gevolgen van hart- en vaatziekten kunnen noemen.

- Afwijkingen in de bloeddruk.

- Mensen met te lage bloeddruk hebben vaker last van hoofdpijn en duizelingen.

- Te hoge bloeddruk kan leiden tot beschadiging van bloedvaten: hierdoor kunnen stoffen uit het bloed zich hechten aan de bloedvatwand.

- Aderverkalking (atherosclerose): vernauwing van bloedvaten door afzetting van cholesterol en kalk tegen de binnenwand.

- Dit kan leiden tot overbelasting van het hart.

- Hartinfarct: verstopping van een kransslagader of een aftakking ervan, waardoor een deel van de hartspier geen zuurstof en voedingsstoffen meer krijgt.

- Hierdoor sterft dit deel van de hartspier af.

- Hartritmestoornissen: langdurige verstoring van het normale hartritme o.a. als gevolg van aanhoudende stress.

- Storingen bij het ontstaan van impulsen in het hart kunnen leiden tot verminderde hartwerking en tot hartstilstand.

- Hartvergroting (sporthart): toename van de dikte van het hartspierweefsel als gevolg van voortdurende belasting.

- Komt vooral voor bij "duursporters" (o.a. roeiers en wielrenners).

- Het hart kan per hartslag meer bloed wegpompen, waardoor de sporter betere prestaties kan leveren.

- Iemand met een hartvergroting heeft in rust een lager hartritme dan normaal.

Feit 9

Je moet de kenmerken en functies van weefselvloeistof en lymfe kunnen noemen.

- Weefselvloeistof ontstaat doordat in de haarvaten vocht uittreedt.

- Weefselvloeistof bevat o.a. zuurstof, voedingsstoffen, koolstofdioxide en andere afvalstoffen, antistoffen en hormonen. Weefselvloeistof kan witte bloedcellen bevatten.

- Functie weefselvloeistof: zuurstof en voedingsstoffen neer de cellen toevoeren en koolstofdioxide en andere afvalstoffen van de cellen wegvoeren.

- Lymfe ontstaat doordat weefselvloeistof wordt opgenomen in lymfevaten.

- Lymfe bevat o.a. zuurstof, voedingsstoffen, koolstofdioxide en andere afvalstoffen, antistoffen en hormonen.

- Lymfe kan witte bloedcellen bevatten.

- Lymfevaten verenigen zich tot grotere lymfevaten. In de lymfevaten komen kleppen voor.

- Het lymfevatenstelsel voert de lymfe weer terug neer het bloedvatenstelsel.

- Lymfeknopen (lymfeklieren) zuiveren de lymfe van o a. ziekteverwekkers.