biologie

17 T8 opslag en uitscheiding

Feit 1

Je moet kunnen beschrijven hoe bij de mens een vrij constant inwendig milieu wordt gehandhaafd.

- Inwendig milieu: weefselvloeistof en bloedplasma.

- Het constant houden van de samenstelling van het inwendige milieu vindt plaats door opname, opslag en uitscheiding van stoffen.

- Hierbij spelen hormonen (bijv. insuline en glucagon), zintuigen en zenuwcellen een belangrijke rol.

- Opname: een tekort aan bepaalde stoffen wordt voorkomen doordat regelmatig stoffen worden opgenomen uit het uitwendige milieu.

- Darmkanaal: opname van voedingsstoffen.

- Longen: opname van zuurstof.

- Opslag: stoffen waarvan een teveel aanwezig is in het inwendige milieu worden (eventueel in gewijzigde vorm) in bepaalde organen opgeslagen.

- In de lever: glucose (dat wordt omgezet in glycogeen), bepaalde, mineralen (o.a. ijzer) en bepaalde vitamines.

- In spieren: glucose (dat wordt omgezet in glycogeen).

- In het onderhuidse bindweefsel: vet.

- In het gele beenmerg van pijpbeenderen: vet.

- Opgeslagen stoffen worden (eventueel in gewijzigde vorm) weer in het inwendige milieu gebracht.

- Uit lever en spieren: glycogeen (dat wordt omgezet in glucose).

- Uitscheiding: overtollige en/of schadelijke (afval)stoffen worden aan het inwendige milieu onttrokken en uit het lichaam verwijderd.

- Nieren: urine met vooral water, ureum en zouten.

- Lever: gal met galkleurstoffen (afbraakproducten van dode rode bloedcellen).

- Longen: koolstofdioxide.

Feit 2

Je moet de functies van de lever kunnen noemen.

- Constant houden van het glucosegehalte van het bloed.

- Bij een hoog glucosegehalte van het bloed wordt in de lever glucose omgezet in glycogeen, dat wordt opgeslagen.

- Bij een leeg glucosegehalte van het bloed wordt in de lever glycogeen omgezet in glucose. De glucose wordt opgenomen in het bloed.

- Produceren van het bloedeiwit fibrinogeen.

- Afbreken van overtollige eiwitten.

- Hierbij ontstaat de giftige afvalstof ureum.

- Produceren van gal.

- Afbreken van dode rode bloedoellen.

- Galkleurstoffen worden met de gal uitgescheiden.

- Ijzer wordt opgeslagen.

- Opslag van mineralen (o.a. ijzer) en vitamines.

- Ontgifting van het bloed.

- Alcohol, drugs, medicijnen e.d. worden onwerkzaam gemaakt.

Feit 3

Je moet kunnen omschrijven wat hepatitis is.

- Hepatitis: ontsteking van de lever veroorzaakt door virussen of giftige stoffen (bijv. medicijnen).

- Hepatitis A: wordt veroorzaakt door een virus dat via uitwerpselen en besmet voedsel of water wordt overgebracht.

- Verschijnselen: vermoeidheid, verminderde eetlust, hoofdpijn en overgeven.

- Hepatitis B: wordt veroorzaakt door een virus dat via bloed, sperma of vocht uit de vagina wordt overgebracht.

- Verschijnselen: aanvankelijk dezelfde als bij hepatitis A; in een later stadium mogelijk leverkanker of levercirrose (afsterven van levercellen).

Feit 4

Je moet de delen van de nieren en van de urinewegen kunnen noemen met hun functies en kenmerken.

- Functies van de nieren en de urinewegen.

- Uitscheiding van overtollig water, overtollige zouten, afvalstoffen (o.a. ureum) en schadelijke stoffen. De stoffen worden samen urine genoemd.

- De samenstelling van urine is wisselend: deze is afhankelijk van de hoeveelheden van de stoffen in het inwendige milieu.

- Delen van een nier.

- Nierschors en niermerg: vorming van urine.

- Nierbekken: verzamelen van urine.

- Delen van de urinewegen.

- Urineleiders: afvoer van urine naar de urineblaas.

- Urineblaas: tijdelijke opslag van urine.

- Urinebuis: afvoer van urine naar buiten.

Feit 5

Je moet de delen van de huid en van het onderhuidse bindweefsel kunnen noemen met hun functies en kenmerken.

- De huid bestaat uit opperhuid en lederhuid.

- Opperhuid: hoornlaag en kiemlaag. In de opperhuid liggen geen bloedvaten.

- Hoornlaag (dode, verhoornde celresten): bescherming tegen beschadigingen, uitdroging en infecties.

- Kiemlaag (levende cellen): pigment beschermt tegen ultraviolette straling. De onderste laag cellen deelt zich voortdurend. Hierdoor wordt de steeds afslijtende hoornlaag aangevuld.

- Haar met haarzakje (uitstulping van de kiemlaag) en talgklieren. Talg houdt het haar en de hoornlaag soepel.

- Lederhuid: bevat bloed vaten, haarspiertjes, zweetklieren met zweetkanaaltjes, zenuwen en zintuigen (warmte-, koude-, druk- en tastzintuigen).

- Onderhuidse bindweefsel.

- Opslag van vet in vetcellen: het vet heeft een warmte-isolerende werking.

Feit 6

Je moet kunnen beschrijven hoe de lichaamstemperatuur min of meer constant wordt gehouden.

- Constante lichaamstemperatuur door evenwicht tussen warmteproductie en warmteafgifte.

- Het temperataurregelcentrum in de hersenen regelt de warmteproductie en de warmteafgifte van het lichaam.

- Warmteproductie door verbranding.

- Warmteafgifte via bloed dat door de huid stroomt en via zweet dat verdampt (door verdamping wordt warmte aan het lichaam onttrokken).

- Bescherming tegen stijging van de lichaamstemperatuur.

- Bloedvaten in de huid worden wijder (de huid wordt roder).

- Zweetklieren produceren meer zweet.

- Bescherming tegen daling van de lichaamstemperatuur.

- Bloedvaten in de huid worden nauwer (de huid wordt bleker).

- Zweetklieren produceren minder zweet.

- Warmteproductie door verbranding neemt toe (o.a. rillen en klappertanden).

Feit 7

Je moet kunnen beschrijven hoe antistoffen bescherming bieden tegen infecties en op welke manieren immuniteit kan ontstaan.

- Lichaamsvreemde stoffen: stoffen die niet in het lichaam thuishoren.

- Op het oppervlak van ziekteverwekkers komen lichaamsvreemde stoffen voor.

- Infectie: ziekteverwekkers dringen het lichaam binnen.

- Witte bloedcellen van een bepaald type produceren antistof tegen de lichaamsvreemde stof van de ziekteverwekker.

- De antistof hecht zich aan de lichaamsvreemde stof van de ziekteverwekker, waardoor deze onschadelijk wordt gemaakt.

- Eén type antistof kan zich meer aan een type lichaamsvreemde stof hechten.

- Immuniteit: na een infectie blijft de antistof in het bloed aanwezig of kan bij een nieuwe infectie snel worden gemaakt.

- Natuurlijke immuniteit: ontstaat doordat een persoon de ziekte doormaakt, bijv. waterpokken.

- Kunstmatige immuniteit: ontstaat door inenting (vaccinatie) van een vaccin, bijv. tegen mazelen. Een vaccin bevat een dode of verzwakte ziekteverwekker.

Feit 8

Je moet de bloedfactoren en antistoffen kunnen noemen die voorkomen bij de verschillende bloedgroepen.

- Bloedfactor: stof op het celmembraan van rode bloedcellen die als lichaamsvreemde stof werkt voor iemand die deze stof niet heeft.

- De belangrijkste zijn bloedfactor A, bloedfactor B en de resusfactor.

- Bloedgroepen A, B, AB en 0.

- Het bloedplasma bevat antistof tegen de bloedfactor die niet aan de rode bloedcellen zit.

Bloedgroep A

Bloedfactor aan rode bloedcellen: A

Antistof in bloedplasma: anti-B

Bloedgroep B

Bloedfactor aan rode bloedcellen: B

Antistof in bloedplasma: anti-A

Bloedgroep AB

Bloedfactor aan rode bloedcellen: A en B

Antistof in bloedplasma: geen

Bloedgroep 0

Bloedfactor aan rode bloedcellen: geen

Antistof in bloedplasma: anti-A en anti-B

- Resusfactor.

- Bij resuspositief bloed (Rh+) bevatten de rode bloedoellen de resusfactor; bij resusnegatief bloed (Rh-) niet.

- Antiresus wordt gevormd als Rh- bloed in contact komt met Rh+ bloed. De vorming van antiresus verloopt langzaam.

Feit 9

Je moet kunnen beschrijven welke rol bloedgroepen en de resusfactor spelen bij bloedtransfusies en zwangerschap.

- Bloedtransfusies en bloedgroepen A, B, AB en 0.

- Bij voorkeur geeft men bloed van een donor met dezelfde bloedgroep als de ontvanger.

- Bloedfactor A en anti-A reageren met elkaar, evenals bloedfactor B en anti-B. Hierdoor klonteren de rode bloedcellen samen en gaan ze te gronde, waardoor hemoglobine vrijkomt in het bloedplasma. Dit kan o.a. hersen- en nierbeschadiging tot gevolg hebben.

- Bloedtransfusie is mogelijk als de ontvanger geen antistof heeft tegen een bloedfactor in het donorbloed.

- Bloedgroep 0 is de algemene donor.

- Bloedgroep AB is de algemene ontvanger.

- Bloedtransfusies en de resusfactor.

- Bij voorkeur geeft men bloed van een donor met dezelfde resusfactor (en dezelfde bloedgroep) als de ontvanger.

- Resusfactor en antiresus reageren met elkaar, waardoor de rode bloedcellen samenklonteren.

- Bij een eerste transfusie van resuspositief bloed neer een resusnegatieve ontvanger treden geen problemen op, doordat de vorming van antiresus langzaam verloopt.

- Bij een tweede transfusie wordt sneller antiresus gevormd, zodat samenklontering van het donorbloed optreedt.

- Transfusie van resusnegatief bloed naar een resuspositieve ontvanger is mogelijk.

- Zwangerschap en de resusfactor.

- Problemen kunnen optreden bij een resusnegatieve moeder die zwanger is van een resuspositief kind.

- Vooral tijdens de bevalling kunnen rode bloedcellen van het kind via de placenta terechtkomen in het bloed van de moeder. De moeder gaat langzaam antiresus vormen.

- Tijdens de volgende zwangerschap(pen) kan antiresus van de moeder via de placenta in het bloed van het kind terechtkomen. Als het kind resuspositief is, kunnen rode bloedcellen van het kind samenklonteren en te gronde geen (resuskind).

- Door toediening van antiresus aan de moeder onmiddellijk na de geboorte wordt de vorming van antiresus door de moeder zelf tegengegaan. Hierdoor wordt een resuskindje voorkomen.