5 EVOLUTIE
Feit 1
Je moet kunnen beschrijven wat de evolutietheorie inhoudt.
• Evolutie is een geleidelijke ontwikkeling, waarbij uit eenvoudig gebouwde organismen ingewikkelder gebouwde organismen ontstaan.
- De evolutietheorie gaat uit van veranderingen in genotypen, natuurlijke selectie en het ontstaan van nieuwe soorten.
• In een populatie treffen we voortdurend andere genotypen (en fenotypen) aan.
- Bij geslachtelijke voortplanting ontstaan telkens nieuwe genotypen (en fenotypen).
- Door mutaties ontstaan voortdurend andere genotypen (en fenotypen).
• Natuurlijke selectie.
- Individuen met een betere aanpassing aan het milieu hebben een grotere overlevingskans.
- Van individuen met een gunstig genotype zullen veel nakomelingen in leven blijven en zich voortplanten.
- Soorten evolueren (veranderen) als door natuurlijke selectie de mutanten blijven voortbestaan en individuen van de oorspronkelijk vorm uitsterven.
• Het ontstaan van nieuwe soorten.
- Een deel van een populatie raakt geïsoleerd (gescheiden) en vormt een nieuwe populatie.
- Beide populaties ontwikkelen zich langdurig gescheiden in verschillende milieus.
- Na verloop van lange tijd zijn er zoveel verschillen ontstaan dat individuen van de twee populaties zich niet meer onderling kunnen voortplanten. Er zijn twee soorten ontstaan.
Feit 2
Je moet argumenten voor de evolutietheorie kunnen noemen.
• Fossielen: versteende overblijfselen van organismen, of afdrukken van organismen in gesteenten.
- Fossielen ontstaan als resten van organismen van de lucht worden afgesloten door sedimenten. Hierdoor vergaan de resten niet.
- Uit fossielen blijkt dat ingewikkelder gebouwde organismen later in de geschiedenis van de aarde ontstaan dan eenvoudig gebouwde organismen.
• Overeenkomst in embryonale ontwikkeling.
- De embryonale ontwikkeling van verschillende soorten dieren vertoont overeenkomst. Hierdoor wordt het aannemelijk dat deze dieren een gemeenschappelijke voorouder hebben.
• Overeenkomst in bouw.
- Organen met verschillende functie kunnen veel overeenkomst in bouw vertonen. Voorbeelden: de vleugel van een vleermuis, de voorvin van een walvis, de voorpoot van een mol en de arm van een mens.
- Waarschijnlijk zijn deze organen uit dezelfde grondvorm ontstaan. De organismen hebben waarschijnlijk een gemeenschappelijke voorouder gehad. Door aanpassing aan het milieu zijn de verschillen ontstaan.
• Rudimentaire organen: organen die geen functie meer hebben en niet of nauwelijks tot ontwikkeling komen.
- Voorbeelden van rudimenten: het bekken bij een walvis, de pootresten bij reuzenslangen, de staartwervels en de blindedarm bij de mens.
Bij verwante soorten komen deze organen wel tot volledige ontwikkeling.
- Door rudimentaire organen wordt het aannemelijk dat verschillende soorten organismen een gemeenschappelijke voorouder hebben.
Feit 3
Je moet een geologische tijdschaal kunnen aflezen.
• In een geologische tijdschaal is de tijd sinds het ontstaan van de aarde weergegeven.
- Een geologische tijdschaal is verdeeld in tijdperken.
- Elk tijdperk is onderverdeeld in perioden.
• In een geologische tijdschaal geven getallen de tijd aan in miljoenen jaren geleden.
Feit 4
Je moet een stamboom van organismen kunnen aflezen.
• Uit een stamboom van organismen is af te lezen:
- waaruit groepen organismen zich hebben ontwikkeld;
- welke groepen veel en welke weinig verwantschap vertonen (soorten vertonen verwantschap als ze een gemeenschappelijke voorouder bezitten).