biologie

3 VMBO-GT

Thema 3 – Erfelijkheid en evolutie

Deze toets bestaat uit 24 (deel)vragen.
Sommige vragen zijn vanwege de toegankelijkheid van de toets weggehaald.

Voor elke deelvraag staat aangegeven hoeveel punten met een goed antwoord kunnen worden behaald.

Toets A – Basisstof

Erfelijkheid en evolutie

Vraag 1 (2 punten)

Iemand kan zijn fenotype veranderen.

Geef hiervan twee voorbeelden.

Vraag 2 (1 punt)

Welke uitspraak over mutatie is juist?

A. Bij een mutatie in een lichaamscel verandert het genotype van alle lichaamscellen.
B. Iemand bij wie een mutatie tot uiting komt in het fenotype wordt mutant genoemd.
C. Een mutatie ontstaat altijd door invloeden van buitenaf.
D. Een mutatie kan alleen in lichaamscellen plaatsvinden.

Vraag 4

Lees de tekst: Evolutie van de katachtigen

Volgens wetenschappers is in een ver verleden het zeeniveau op aarde een aantal keer zo ver gedaald, dat verschillende werelddelen met elkaar in verbinding kwamen.

Hierdoor konden dieren van het ene naar het andere werelddeel verhuizen.
Dit verhuizen wordt migreren genoemd.

Later zijn de werelddelen door het stijgen van het zeeniveau weer van elkaar gescheiden.
De verhuisde dieren ontwikkelden zich volgens de evolutietheorie in aparte groepen.

Een jaguar en een rode lynx leven daarom in verschillende gebieden.

Zo zouden uit een oerkat acht verschillende groepen katachtigen zijn ontstaan.

Vraag 4a (1 punt)

Het onderzoeken van fossielen heeft wetenschappers geholpen met het in kaart brengen van de evolutie van katachtigen.

Wat zijn fossielen?

Vraag 4b (1 punt)

Waarom kunnen een jaguar en een rode lynx geen vruchtbare nakomelingen krijgen?

Vraag 5

Sommige goudvissen hebben een gevlekt uiterlijk.

Gevlekte goudvissen zijn heterozygoot voor de lichaamskleur.
Ze ontstaan als in de P-generatie een witte goudvis (AwAw) wordt gekruist met een oranje goudvis (AoAo).

Vraag 5a (1 punt)

Zijn gevlekte goudvissen een ras of een soort?

Vraag 5b (1 punt)

Hoe wordt het fenotype van een gevlekte goudvis genoemd?

Vraag 5c (2 punten)

Twee gevlekte goudvissen met genotype AoAw worden met elkaar gekruist.

Maak op het werkblad of antwoordblad een kruisingsschema van deze kruising.

Vraag 5d (2 punten)

Geef aan wat de verhoudingen van de genotypen zijn in de F1.

Vraag 5e (1 punt)

Uit een witte en een gevlekte goudvis worden acht jongen geboren.

Hoeveel jongen zullen naar verwachting wit zijn?

Vraag 6 (1 punt)

Bepaalde bacteriën produceren melkzuur, dat bijvoorbeeld de zure smaak aan zuurkool geeft.
Andere bacteriën produceren het hormoon insuline.

Bij deze bacteriën is het menselijke gen voor de productie van insuline ingebracht.

Is er sprake van genetische modificatie bij bacteriën die melkzuur produceren
of bij bacteriën die insuline produceren?

Vraag 7 (2 punten)

Soms wordt een drieling geboren.
Drielingen kunnen op verschillende manieren ontstaan.

Eicellen en zaadcellen vormen een bevruchte eicel waaruit kind 1 ontstaat.

Eicellen en zaadcellen vormen een bevruchte eicel waaruit kind 2 en kind 3 ontstaan.

Welke kinderen lijken qua genotype het meest op elkaar?
Leg je antwoord uit.

Vraag 8

Lees de tekst: Krokussen telen

Vraag 8a (2 punten)

Welke kleur is dominant?
Leg je antwoord uit.

Vraag 8b (1 punt)

Bart past in kas A alleen ongeslachtelijke voortplanting toe.

Welk gevolg heeft dit voor het genotype van de krokussen?

Vraag 8c (1 punt)

Bart wil onderzoeken of de bloemen uit kas A en kas B zich ontwikkelen tot aparte soorten.

Wat kan een hypothese zijn voor zijn onderzoek?

Krokussen telen

Bart is bloementeler. Hij kweekt krokussen.

Hij heeft in een gesloten kas gele krokussen staan.
Als hij deze P-generatie met elkaar kruist, ontstaan er gele en witte krokussen in de F1-generatie.

Bart heeft de krokussen gescheiden.
In kas A staan alleen gele krokussen.
In kas B staan alleen witte krokussen.

Beide kassen zijn afgesloten en volledig van elkaar gescheiden.

Bart kan de krokussen ook ongeslachtelijk voortplanten door scheuten van de knol te halen.
Deze groeien verder als afzonderlijke planten.

Vraag 10

Een cavia krijgt drie jongen.
Het nest bestaat uit twee vrouwelijke jongen en één mannelijk jong.

De jongen groeien gezond op.
Na een halfjaar verschillen ze sterk in grootte.

Vraag 10a (1 punt)

Welke uitspraak over het fenotype en genotype van de jongen is juist?

A. De jongen hebben alleen hetzelfde fenotype.
B. De jongen hebben alleen hetzelfde genotype.
C. De jongen hebben hetzelfde fenotype en genotype.
D. De jongen hebben verschillende fenotypen en genotypen.

Vraag 10b (1 punt)

Na één jaar leeft alleen het grootste jong nog.
Dat jong bleek het best aangepast te zijn aan de leefomgeving.

Hoe heet het proces dat ervoor zorgt dat alleen het best aangepaste jong nog leeft?

Vraag 11 (1 punt)

Waarom moet een kwaadaardige tumor altijd worden behandeld?