Wat is een genotype?
A. Alle zichtbare kenmerken
B. Alle erfelijke informatie
C. Alleen eigenschappen van ouders
D. Alleen eigenschappen van het milieu
Wat bepaalt samen het fenotype?
A. Alleen genotype
B. Alleen milieu
C. Genotype en milieu
D. Alleen voeding
Wat is een allel?
A. Een cel
B. Een variant van een gen
C. Een orgaan
D. Een soort
Wat betekent homozygoot?
A. Twee verschillende allelen
B. Eén allel
C. Twee gelijke allelen
D. Geen allelen
Wat gebeurt bij geslachtelijke voortplanting?
A. Er ontstaat geen variatie
B. Twee geslachtscellen versmelten
C. Er ontstaat alleen één ouder
D. Er ontstaat geen DNA
Wat is een mutatie?
A. Een verandering in het milieu
B. Een verandering in het DNA
C. Een verandering in gedrag
D. Een verandering in voeding
Wanneer is een mutatie erfelijk?
A. In een lichaamscel
B. In een geslachtscel
C. In een spiercel
D. In een zenuwcel
Wat is een dominant allel?
A. Komt nooit tot uiting
B. Komt alleen bij aa voor
C. Komt altijd tot uiting
D. Bestaat niet
Wat is een recessief allel?
A. Komt altijd tot uiting
B. Komt alleen tot uiting zonder dominant allel
C. Komt nooit voor
D. Is sterker dan dominant
Wat is een populatie?
A. Alle dieren op aarde
B. Groep organismen van dezelfde soort in één gebied
C. Alleen planten
D. Alleen bacteriën
Wat is natuurlijke selectie?
A. Mensen kiezen organismen
B. Organismen kiezen zelf
C. Beter aangepaste organismen overleven vaker
D. Alle organismen overleven
Wat is een soort?
A. Organismen die samen leven
B. Organismen die vruchtbare nakomelingen krijgen
C. Organismen met dezelfde kleur
D. Organismen met dezelfde grootte
Wat kan leiden tot een nieuwe soort?
A. Altijd hetzelfde milieu
B. Geen verandering
C. Scheiding van populaties
D. Minder voedsel
Wat is een fossiel?
A. Een levend dier
B. Een versteend overblijfsel
C. Een plant
D. Een cel
Wat bewijzen overeenkomstige organen?
A. Geen verwantschap
B. Zelfde functie
C. Gemeenschappelijke voorouder
D. Verschillende soorten
Wat is een rudimentair orgaan?
A. Een nieuw orgaan
B. Een belangrijk orgaan
C. Een orgaan zonder functie
D. Een groot orgaan
Wat betekent veel overeenkomst in DNA?
A. Geen verwantschap
B. Veel verwantschap
C. Geen verschil
D. Geen betekenis
Wat is biotechnologie?
A. Alleen planten kweken
B. Technieken met organismen voor producten
C. Alleen dieren
D. Alleen DNA
Wat is genetische modificatie?
A. Veranderen van gedrag
B. Veranderen van DNA
C. Veranderen van voeding
D. Veranderen van omgeving
Waarvoor gebruik je DNA bij misdaadonderzoek?
A. Om planten te kweken
B. Om daders te vinden
C. Om voedsel te maken
D. Om dieren te bestuderen