biologie

Juist/Onjuist

  1. Het genotype verandert tijdens je leven.
  2. Het fenotype wordt alleen bepaald door genen.
  3. Een allel is een variant van een gen.
  4. Bij ongeslachtelijke voortplanting ontstaat veel variatie.
  5. Een mutatie is een verandering in het DNA.
  6. Een dominant allel komt altijd tot uiting in het fenotype.
  7. Een populatie bestaat uit organismen van verschillende soorten.
  8. Natuurlijke selectie zorgt ervoor dat beter aangepaste organismen meer nakomelingen krijgen.
  9. Fossielen zijn levende organismen.
  10. DNA van twee soorten dat sterk lijkt, wijst op verwantschap.

Meerkeuzevragen

  1. Wat is een genotype?
    A. Alle zichtbare kenmerken
    B. Alle erfelijke informatie
    C. Alleen eigenschappen van ouders
    D. Alleen eigenschappen van het milieu

  2. Wat bepaalt samen het fenotype?
    A. Alleen genotype
    B. Alleen milieu
    C. Genotype en milieu
    D. Alleen voeding

  3. Wat is een allel?
    A. Een cel
    B. Een variant van een gen
    C. Een orgaan
    D. Een soort

  4. Wat betekent homozygoot?
    A. Twee verschillende allelen
    B. Eén allel
    C. Twee gelijke allelen
    D. Geen allelen

  5. Wat gebeurt bij geslachtelijke voortplanting?
    A. Er ontstaat geen variatie
    B. Twee geslachtscellen versmelten
    C. Er ontstaat alleen één ouder
    D. Er ontstaat geen DNA

  6. Wat is een mutatie?
    A. Een verandering in het milieu
    B. Een verandering in het DNA
    C. Een verandering in gedrag
    D. Een verandering in voeding

  7. Wanneer is een mutatie erfelijk?
    A. In een lichaamscel
    B. In een geslachtscel
    C. In een spiercel
    D. In een zenuwcel

  8. Wat is een dominant allel?
    A. Komt nooit tot uiting
    B. Komt alleen bij aa voor
    C. Komt altijd tot uiting
    D. Bestaat niet

  9. Wat is een recessief allel?
    A. Komt altijd tot uiting
    B. Komt alleen tot uiting zonder dominant allel
    C. Komt nooit voor
    D. Is sterker dan dominant

  10. Wat is een populatie?
    A. Alle dieren op aarde
    B. Groep organismen van dezelfde soort in één gebied
    C. Alleen planten
    D. Alleen bacteriën

  11. Wat is natuurlijke selectie?
    A. Mensen kiezen organismen
    B. Organismen kiezen zelf
    C. Beter aangepaste organismen overleven vaker
    D. Alle organismen overleven

  12. Wat is een soort?
    A. Organismen die samen leven
    B. Organismen die vruchtbare nakomelingen krijgen
    C. Organismen met dezelfde kleur
    D. Organismen met dezelfde grootte

  13. Wat kan leiden tot een nieuwe soort?
    A. Altijd hetzelfde milieu
    B. Geen verandering
    C. Scheiding van populaties
    D. Minder voedsel

  14. Wat is een fossiel?
    A. Een levend dier
    B. Een versteend overblijfsel
    C. Een plant
    D. Een cel

  15. Wat bewijzen overeenkomstige organen?
    A. Geen verwantschap
    B. Zelfde functie
    C. Gemeenschappelijke voorouder
    D. Verschillende soorten

  16. Wat is een rudimentair orgaan?
    A. Een nieuw orgaan
    B. Een belangrijk orgaan
    C. Een orgaan zonder functie
    D. Een groot orgaan

  17. Wat betekent veel overeenkomst in DNA?
    A. Geen verwantschap
    B. Veel verwantschap
    C. Geen verschil
    D. Geen betekenis

  18. Wat is biotechnologie?
    A. Alleen planten kweken
    B. Technieken met organismen voor producten
    C. Alleen dieren
    D. Alleen DNA

  19. Wat is genetische modificatie?
    A. Veranderen van gedrag
    B. Veranderen van DNA
    C. Veranderen van voeding
    D. Veranderen van omgeving

  20. Waarvoor gebruik je DNA bij misdaadonderzoek?
    A. Om planten te kweken
    B. Om daders te vinden
    C. Om voedsel te maken
    D. Om dieren te bestuderen

Open vragen

  1. Leg uit wat het verschil is tussen genotype en fenotype.
  2. Noem twee oorzaken van variatie in genotypen.
  3. Leg uit waarom broers en zussen verschillend kunnen zijn.
  4. Wat gebeurt er bij een mutatie in een geslachtscel?
  5. Leg uit wat natuurlijke selectie betekent.
  6. Geef een voorbeeld van een aanpassing aan het milieu.
  7. Leg uit hoe een nieuwe soort kan ontstaan.
  8. Wat kun je leren van fossielen?
  9. Leg uit hoe DNA helpt bij het bepalen van verwantschap.
  10. Wat is het doel van gentherapie?