Zet de antwoorden van deze toets in een apart word document. Vergeet niet je naam boven het document te zetten.
Wanneer ontstonden de eerste bacteriën?
A. 65 miljoen jaar geleden
B. 3500 miljoen jaar geleden
C. 1000 miljoen jaar geleden
D. 3 miljoen jaar geleden
Wat betekent verwantschap tussen soorten?
A. Ze leven op dezelfde plek
B. Ze hebben dezelfde grootte
C. Ze hebben een gemeenschappelijke voorouder
D. Ze eten hetzelfde voedsel
Tot welke groep behoren bacteriën?
A. Eukaryoten
B. Prokaryoten
C. Planten
D. Dieren
Wat is een kenmerk van eukaryoten?
A. Geen celkern
B. Altijd eencellig
C. Wel een celkern
D. Geen cytoplasma
Wat hebben plantencellen wel en dierlijke cellen niet?
A. Celkern
B. Cytoplasma
C. Celwand
D. Chromosomen
Hoe planten bacteriën zich voort?
A. Met zaden
B. Met sporen
C. Door deling
D. Met eieren
Wat is een voorbeeld van een eencellige schimmel?
A. Mos
B. Gist
C. Alg
D. Bacterie
Wat doen reducenten?
A. Ze maken zuurstof
B. Ze breken dode resten af
C. Ze produceren energie
D. Ze jagen op dieren
Waarvoor worden bacteriën gebruikt?
A. Alleen voor ziektes
B. Voor voedselproductie
C. Alleen in planten
D. Voor skeletvorming
Wat kan een schadelijk effect van bacteriën zijn?
A. Fotosynthese
B. Voedselbederf
C. Groei van planten
D. Zuurstofproductie
Wat is een kenmerk van zaadplanten?
A. Voortplanting met sporen
B. Geen wortels
C. Voortplanting met zaden
D. Geen bladeren
Welke planten hebben geen vaten?
A. Varens
B. Mossen
C. Zaadplanten
D. Paardenstaarten
Wat betekent tweezijdige symmetrie?
A. Geen symmetrie
B. Meerdere gelijke delen
C. In twee gelijke helften te verdelen
D. Alleen rond
Wat is een uitwendig skelet?
A. Skelet in het lichaam
B. Skelet buiten het lichaam
C. Geen skelet
D. Skelet van kalk
Tot welke groep behoren insecten?
A. Gewervelden
B. Weekdieren
C. Geleedpotigen
D. Stekelhuidigen
Hoeveel poten heeft een insect?
A. 4
B. 6
C. 8
D. 10
Wat is een kenmerk van gewervelden?
A. Geen skelet
B. Uitwendig skelet
C. Wervelkolom
D. Alleen in water
Wat betekent koudbloedig?
A. Altijd warm
B. Temperatuur constant
C. Temperatuur gelijk aan omgeving
D. Geen temperatuur
Welke dieren zijn warmbloedig?
A. Vissen
B. Reptielen
C. Vogels
D. Amfibieën
Wat doe je bij determineren?
A. Je meet lengte
B. Je bepaalt naam of groep
C. Je onderzoekt gedrag
D. Je telt cellen
Juist/Onjuist
Meerkeuzevragen
Open vragen