biologie

Toets GT - Thema 4 Ordening

Zet de antwoorden van deze toets in een apart word document. Vergeet niet je naam boven het document te zetten.

Juist/Onjuist

  1. De aarde bestaat ongeveer 4600 miljoen jaar.
  2. Bacteriën hebben een celkern.
  3. Schimmels kunnen eencellig of meercellig zijn.
  4. Planten hebben altijd bladgroenkorrels.
  5. Dieren hebben geen celwand.
  6. Geleedpotigen hebben een inwendig skelet.
  7. Vissen zijn koudbloedig.
  8. Een determineertabel helpt bij het benoemen van organismen.
  9. Mossen hebben vaten voor transport.
  10. Antibiotica werken tegen bacteriën.

Meerkeuzevragen

  1. Wanneer ontstonden de eerste bacteriën?
    A. 65 miljoen jaar geleden
    B. 3500 miljoen jaar geleden
    C. 1000 miljoen jaar geleden
    D. 3 miljoen jaar geleden

  2. Wat betekent verwantschap tussen soorten?
    A. Ze leven op dezelfde plek
    B. Ze hebben dezelfde grootte
    C. Ze hebben een gemeenschappelijke voorouder
    D. Ze eten hetzelfde voedsel

  3. Tot welke groep behoren bacteriën?
    A. Eukaryoten
    B. Prokaryoten
    C. Planten
    D. Dieren

  4. Wat is een kenmerk van eukaryoten?
    A. Geen celkern
    B. Altijd eencellig
    C. Wel een celkern
    D. Geen cytoplasma

  5. Wat hebben plantencellen wel en dierlijke cellen niet?
    A. Celkern
    B. Cytoplasma
    C. Celwand
    D. Chromosomen

  6. Hoe planten bacteriën zich voort?
    A. Met zaden
    B. Met sporen
    C. Door deling
    D. Met eieren

  7. Wat is een voorbeeld van een eencellige schimmel?
    A. Mos
    B. Gist
    C. Alg
    D. Bacterie

  8. Wat doen reducenten?
    A. Ze maken zuurstof
    B. Ze breken dode resten af
    C. Ze produceren energie
    D. Ze jagen op dieren

  9. Waarvoor worden bacteriën gebruikt?
    A. Alleen voor ziektes
    B. Voor voedselproductie
    C. Alleen in planten
    D. Voor skeletvorming

  10. Wat kan een schadelijk effect van bacteriën zijn?
    A. Fotosynthese
    B. Voedselbederf
    C. Groei van planten
    D. Zuurstofproductie

  11. Wat is een kenmerk van zaadplanten?
    A. Voortplanting met sporen
    B. Geen wortels
    C. Voortplanting met zaden
    D. Geen bladeren

  12. Welke planten hebben geen vaten?
    A. Varens
    B. Mossen
    C. Zaadplanten
    D. Paardenstaarten

  13. Wat betekent tweezijdige symmetrie?
    A. Geen symmetrie
    B. Meerdere gelijke delen
    C. In twee gelijke helften te verdelen
    D. Alleen rond

  14. Wat is een uitwendig skelet?
    A. Skelet in het lichaam
    B. Skelet buiten het lichaam
    C. Geen skelet
    D. Skelet van kalk

  15. Tot welke groep behoren insecten?
    A. Gewervelden
    B. Weekdieren
    C. Geleedpotigen
    D. Stekelhuidigen

  16. Hoeveel poten heeft een insect?
    A. 4
    B. 6
    C. 8
    D. 10

  17. Wat is een kenmerk van gewervelden?
    A. Geen skelet
    B. Uitwendig skelet
    C. Wervelkolom
    D. Alleen in water

  18. Wat betekent koudbloedig?
    A. Altijd warm
    B. Temperatuur constant
    C. Temperatuur gelijk aan omgeving
    D. Geen temperatuur

  19. Welke dieren zijn warmbloedig?
    A. Vissen
    B. Reptielen
    C. Vogels
    D. Amfibieën

  20. Wat doe je bij determineren?
    A. Je meet lengte
    B. Je bepaalt naam of groep
    C. Je onderzoekt gedrag
    D. Je telt cellen

Open vragen

  1. Leg uit wat een tijdbalk van het leven laat zien.
  2. Wat is het verschil tussen prokaryoten en eukaryoten?
  3. Noem twee kenmerken van bacteriën.
  4. Leg uit waarom schimmels belangrijk zijn in de natuur.
  5. Geef één voorbeeld van een nuttige toepassing van bacteriën.
  6. Wat is het verschil tussen zaadplanten en sporenplanten?
  7. Leg uit wat symmetrie bij dieren betekent.
  8. Waarom vervellen geleedpotigen?
  9. Wat is het verschil tussen warmbloedig en koudbloedig?
  10. Leg uit hoe een determineertabel werkt.

Juist/Onjuist

  1. juist
  2. onjuist
  3. juist
  4. onjuist
  5. juist
  6. onjuist
  7. juist
  8. juist
  9. onjuist
  10. juist

Meerkeuzevragen

  1. B
  2. C
  3. B
  4. C
  5. C
  6. C
  7. B
  8. B
  9. B
  10. B
  11. C
  12. B
  13. C
  14. B
  15. C
  16. B
  17. C
  18. C
  19. C
  20. B

Open vragen

  1. Het laat zien wanneer groepen organismen ontstonden in de tijd.
  2. Prokaryoten hebben geen celkern, eukaryoten wel.
  3. Eencellig en geen celkern.
  4. Ze breken dode resten af en zorgen voor recycling.
  5. Bijvoorbeeld bij yoghurt of medicijnen.
  6. Zaadplanten gebruiken zaden, sporenplanten gebruiken sporen.
  7. Dat je een dier in gelijke helften kunt verdelen.
  8. Omdat hun skelet niet meegroeit.
  9. Warmbloedig is constant, koudbloedig volgt de omgeving.
  10. Je beantwoordt vragen stap voor stap tot één soort overblijft.