In deze basisstof leer je hoe levende wezens zich kunnen voortplanten zonder dat er een mannetje en vrouwtje aan te pas komen. Dit noemen we ongeslachtelijke voortplanting. Hierbij ontstaat uit één ouder een nieuw individu dat genetisch identiek is aan de ouder. Dat betekent dat er geen nieuwe erfelijke eigenschappen worden gecombineerd. Het nageslacht is dus een kloon van de ouder.
Voorbeelden van ongeslachtelijke voortplanting zijn:
In de natuur zorgt deze vorm van voortplanting voor snelle vermeerdering, vooral als de omstandigheden gunstig zijn. Het nadeel is dat er weinig variatie ontstaat, waardoor soorten kwetsbaar zijn bij veranderingen in hun omgeving.
Bij ongeslachtelijke voortplanting is er maar één ouder betrokken. Er vindt geen bevruchting plaats en er worden geen geslachtscellen gevormd. Alle nakomelingen hebben hetzelfde DNA als de ouder. Dit kan door middel van deling, knopvorming of vegetatieve vermeerdering.
Vraag: Wat is ongeslachtelijke voortplanting?
Antwoord: Een manier van voortplanting waarbij één ouder nakomelingen krijgt zonder bevruchting.
Vraag: Wat is een kloon?
Antwoord: Een organisme dat genetisch identiek is aan het ouderorganisme.
Vraag: Noem drie voorbeelden van organismen die zich ongeslachtelijk voortplanten.
Antwoord: Bacteriën, gisten en aardbeienplanten.
Vraag: Waarom is ongeslachtelijke voortplanting voordelig?
Antwoord: Het gaat snel en er is geen partner nodig.
Vraag: Wat is een nadeel van ongeslachtelijke voortplanting?
Antwoord: Er is weinig genetische variatie, waardoor organismen kwetsbaarder zijn voor ziekten en milieuveranderingen.