biologie

Thema 3 Genetica

Basisstof 5 Speciale manieren van overerven

Samenvatting

In deze les leer je dat erfelijke eigenschappen niet altijd op een “gewone” dominante of recessieve manier overerven. Sommige eigenschappen hebben meer dan twee allelen, andere allelen kunnen dodelijk zijn in homozygote vorm, en soms liggen twee genen op hetzelfde chromosoom, waardoor ze gekoppeld overerven. Je ontdekt hoe deze speciale vormen van overerving werken en hoe je er kruisingsschema’s voor maakt.

Lesdoelen

Na deze les kun je:


Lesinhoud

1. Multipele allelen

Sommige eigenschappen worden niet door twee, maar door drie of meer allelen bepaald.
Voorbeeld: AB0-bloedgroepen bij de mens.
Er bestaan drie allelen:

Mogelijke genotypen en fenotypen:

Hierdoor zie je meer verschillende fenotypen dan bij “gewone” monohybride kruisingen.


2. Letale factoren

Een letale factor is een allel dat in homozygote toestand niet levensvatbaar is.
Voorbeeld: manxkatten met korte staart.

Kruising Mm × Mm geeft theoretisch:

Maar omdat MM sterft, zie je in werkelijkheid:

Verhouding fenotypen = 2 : 1 (i.p.v. 3 : 1)


3. Gekoppelde overerving

Normaal erven genen onafhankelijk over. Maar als twee genen op hetzelfde chromosomenpaar liggen, worden ze samen doorgegeven → dit heet gekoppelde overerving.

Voorbeeld bij fruitvliegen:

Bij koppeling ligt bij één ouder G en N op hetzelfde chromosoom, en bij de andere ouder g en n.

Een heterozygoot vlieg heeft dan genotype:
GN / gn

Hierdoor ontstaan maar twee soorten geslachtscellen: GN en gn.
Dus bij kruisingen ontbreken bepaalde combinaties (bijv. grijze vliegen met stompe vleugels), wat bewijst dat de genen gekoppeld zijn.


Praktische toepassingen


Controlevragen en antwoorden

  1. Vraag: Wat betekent “multipele allelen”?
    Antwoord: Dat er meer dan twee allelen bestaan voor één erfelijke eigenschap.

  2. Vraag: Wat is een letale factor?
    Antwoord: Een allel dat in homozygote toestand een niet-levensvatbare zygote oplevert.

  3. Vraag: Waarom is de fenotypeverhouding bij letale factoren vaak 2 : 1?
    Antwoord: Omdat het homozygote dominante genotype sterft vóór de geboorte.

  4. Vraag: Wat is gekoppelde overerving?
    Antwoord: De overerving van twee genen die op hetzelfde chromosomenpaar liggen en daardoor samen worden doorgegeven.

  5. Vraag: Wat wijst erop dat twee genen gekoppeld zijn?
    Antwoord: Bepaalde fenotypen ontbreken of komen veel minder vaak voor dan verwacht.


Toetsvragen

  1. Wat is het verschil tussen multipele allelen en gewone allelenparen?
  2. Welke bloedgroepen kan een kind krijgen van ouders met IAi en IBi?
  3. Wat gebeurt er met een zygote met genotype MM bij manxkatten?
  4. Wat is de fenotypeverhouding in de F1 bij Mm × Mm (manxkatten)?
  5. Waarom erven IA en IB codominant?
  6. Wat betekent het genotype IA-IB?
  7. Waarom ontstaan er minder verschillende geslachtscellen bij gekoppelde overerving?
  8. Welke fenotypen ontbreken bij gekoppelde overerving van G/N en g/n bij fruitvliegen?
  9. Wat is het genotype van iemand met bloedgroep 0?
  10. Hoe kun je aan nakomelingen herkennen dat een eigenschap gekoppeld overerft?

Referentie

Bron: H_T3_Erfelijkheid.pdf, Basisstof 5 Speciale manieren van overerven, p.201–206.