biologie

Thema 3 Genetica

Basisstof 6 Opvoeding of aanleg

Samenvatting

In deze les leer je dat je eigenschappen voortkomen uit een combinatie van aanleg (genotype) en opvoeding/milieu (milieufactoren). Je ontdekt hoe moeilijk het is om bij mensen te bepalen wat door erfelijkheid komt en wat door omgeving. Daarom gebruiken wetenschappers tweelingenonderzoek om verschillen beter te begrijpen. Ook leer je wat genexpressie is en waarom twee mensen met hetzelfde genotype toch een ander fenotype kunnen ontwikkelen.

Lesdoelen

Na deze les kun je:


Lesinhoud

Nature én nurture bepalen samen wie je bent

Het genotype ligt vast vanaf het moment van bevruchting. Maar je fenotype ontstaat door een combinatie van:

Voorbeeld:
Je genen kunnen bepalen dat je 1,80 m lang kunt worden, maar slechte voeding of ziekte tijdens de groei kan ervoor zorgen dat je korter blijft.

Modificaties

Een modificatie is een verandering in het fenotype door milieufactoren, zonder dat het DNA verandert.
Voorbeeld: een litteken, verkleuring door zonlicht, of schade door ziekte in de baarmoeder.
Modificaties zijn niet erfelijk.

Tweelingenonderzoek

Bij mensen kun je geen gecontroleerde genetische experimenten uitvoeren. Daarom gebruiken onderzoekers tweelingen.

Wanneer eeneiige tweelingen in verschillende gezinnen opgroeien, kun je de invloed van het milieu nog beter onderzoeken.

Genexpressie

Genen kunnen aan of uit staan.

Milieufactoren kunnen genexpressie beïnvloeden.
Voorbeeld uit de lesstof:


Praktische toepassingen


Controlevragen en antwoorden

  1. Vraag: Wat bepaalt het fenotype?
    Antwoord: De combinatie van genotype en milieufactoren.

  2. Vraag: Waarom zijn tweelingen belangrijk voor genetisch onderzoek?
    Antwoord: Omdat eeneiige tweelingen hetzelfde genotype hebben, waardoor verschillen vooral door milieu worden veroorzaakt.

  3. Vraag: Wat is genexpressie?
    Antwoord: Het aan- of uitzetten van genen, waardoor erfelijke eigenschappen wel of niet tot uiting komen.

  4. Vraag: Wanneer spreken we van een modificatie?
    Antwoord: Als het fenotype verandert door milieufactoren zonder dat het genotype verandert.

  5. Vraag: Waarom gaan eeneiige tweelingen toch van elkaar verschillen naarmate zij ouder worden?
    Antwoord: Omdat milieufactoren hun genexpressie beïnvloeden.


Toetsvragen

  1. Wat is het verschil tussen nature en nurture?
  2. Wanneer ligt het genotype van een individu vast?
  3. Noem drie voorbeelden van milieufactoren.
  4. Waarom is het moeilijk om bij mensen te bepalen wat erfelijk is en wat door het milieu komt?
  5. Wat maakt eeneiige tweelingen geschikt voor onderzoek naar milieufactoren?
  6. Wat is een aangeboren aandoening?
  7. Wat is een voorbeeld van een modificatie bij planten of dieren?
  8. Wat is genexpressie en waardoor kan deze veranderen?
  9. Waarom worden sommige ziekten pas later in het leven zichtbaar, ondanks dat het genotype al vanaf de geboorte vast ligt?
  10. Leg uit waarom twee mensen met hetzelfde genotype toch een ander fenotype kunnen ontwikkelen.

Referentie

Bron: H_T3_Erfelijkheid.pdf, Basisstof 6 Opvoeding of aanleg, p.208–213.