biologie

Thema 4 Ecologie HAVO

Basisstof 1 Inleiding levende natuur

Samenvatting

In deze basisstof leer je hoe organismen worden ingedeeld. Je leert waarop biologen letten bij het ordenen van organismen. Ook leer je wat het verschil is tussen organische en anorganische stoffen. Daarnaast ontdek je wat autotrofe en heterotrofe organismen zijn en wat het verschil is tussen prokaryoten en eukaryoten. Tot slot leer je hoe wetenschappelijke namen van soorten zijn opgebouwd.

Lesdoelen


Lesinhoud

1. Het ordenen van organismen

Biologen delen organismen in op basis van:

Ze kijken bijvoorbeeld naar:

Alle organismen worden ingedeeld in drie domeinen:

Daarna worden ze verder ingedeeld in steeds kleinere groepen:

Rijken → Stammen → Klassen → Orden → Families → Geslachten → Soorten

Een soort is de kleinste groep in dit systeem.


2. Organische en anorganische stoffen

Organismen nemen stoffen op uit hun omgeving.

Organische stoffen:

Anorganische stoffen:


3. Autotroof en heterotroof

Autotrofe organismen:

Heterotrofe organismen:


4. Prokaryoten en eukaryoten

Prokaryoten:

Eukaryoten:

Dit verschil is belangrijk bij het ordenen van organismen.


5. Binaire naamgeving

Elke soort krijgt een wetenschappelijke naam met twee delen:

  1. Geslachtsnaam (met hoofdletter)
  2. Soortaanduiding (met kleine letter)

Soms staat er ook de naam van de naamgever achter.

Voorbeeld: Bellis perennis L.

Dit systeem zorgt ervoor dat wetenschappers wereldwijd over dezelfde soort praten.


Praktische toepassingen


Controlevragen en antwoorden

  1. Vraag: Op welke twee soorten kenmerken worden organismen ingedeeld?
    Antwoord: Op moleculaire eigenschappen en uiterlijke kenmerken.

  2. Vraag: Wat is het verschil tussen organische en anorganische stoffen?
    Antwoord: Organische stoffen zijn grote moleculen met koolstof en meestal afkomstig van organismen; anorganische stoffen zijn kleine, eenvoudige moleculen en komen ook voor in de levenloze natuur.

  3. Vraag: Wat is een autotroof organisme?
    Antwoord: Een organisme dat zelf organische stoffen kan maken uit anorganische stoffen.

  4. Vraag: Waar ligt het DNA bij prokaryoten?
    Antwoord: Los in het cytoplasma.

  5. Vraag: Uit welke twee delen bestaat een wetenschappelijke naam?
    Antwoord: Uit een geslachtsnaam en een soortaanduiding.


Toetsvragen

  1. Noem vier kenmerken waarop organismen worden ingedeeld.
  2. Noem twee voorbeelden van organische stoffen.
  3. Noem twee voorbeelden van anorganische stoffen.
  4. Wat is het verschil tussen autotroof en heterotroof?
  5. Wat is het verschil tussen een prokaryoot en een eukaryoot?
  6. Noem de drie domeinen.
  7. Wat betekent het als een organisme meerdere cellen heeft?
  8. Wat is een soort?
  9. Wat is de juiste schrijfwijze van een wetenschappelijke naam?
  10. Waarom is binaire naamgeving belangrijk?

Referentie

Bron: h_T4_Samenvatting.pdf oai_citation:0‡h_T4_Samenvatting.pdf