Wat is het genotype?
A. De zichtbare eigenschappen
B. De erfelijke informatie
C. De invloed van het milieu
D. De leefomgeving
Wat bepaalt het fenotype?
A. Alleen het genotype
B. Alleen het milieu
C. Genotype en milieu samen
D. Alleen voeding
Hoeveel chromosomenparen heeft een mens?
A. 22
B. 23
C. 46
D. 44
Wat zijn autosomen?
A. Chromosomen voor geslacht
B. Chromosomen zonder genen
C. Chromosomen die niet het geslacht bepalen
D. Alleen X-chromosomen
Wat betekent homozygoot?
A. Twee verschillende allelen
B. Eén allel
C. Twee gelijke allelen
D. Geen allelen
Wat is een dominant allel?
A. Komt nooit tot uiting
B. Komt alleen tot uiting bij twee dezelfde allelen
C. Komt altijd tot uiting als het aanwezig is
D. Komt alleen bij vrouwen voor
Wat is een monohybride kruising?
A. Kruising met twee eigenschappen
B. Kruising met één eigenschap
C. Kruising zonder genen
D. Kruising van planten
Wat is de fenotypeverhouding bij Hh × Hh?
A. 1 : 1
B. 2 : 1
C. 3 : 1
D. 4 : 0
Wat is een testkruising?
A. Kruising met dominant dier
B. Kruising met heterozygoot dier
C. Kruising met homozygoot recessief dier
D. Kruising zonder schema
Wat bepaalt het geslacht van een baby?
A. De eicel
B. De zaadcel
C. Het milieu
D. De leeftijd van ouders
Wat bevat een eicel altijd?
A. X of Y
B. Alleen Y
C. Alleen X
D. Geen chromosoom
Wat is X-chromosomale overerving?
A. Overerving via autosomen
B. Overerving via Y-chromosoom
C. Overerving via X-chromosoom
D. Overerving zonder genen
Waarom komen X-gebonden aandoeningen vaker voor bij jongens?
A. Ze hebben twee X-chromosomen
B. Ze hebben één X-chromosoom
C. Ze hebben geen genen
D. Ze hebben meer DNA
Wat zijn multipele allelen?
A. Twee allelen
B. Geen allelen
C. Meer dan twee allelen
D. Alleen recessieve allelen
Wat is het genotype van bloedgroep 0?
A. IAIB
B. IAi
C. ii
D. IBi
Wat gebeurt bij een letale factor?
A. Gen verandert
B. Organisme groeit sneller
C. Organisme sterft vroeg
D. Geen effect
Wat is gekoppelde overerving?
A. Genen liggen op verschillende chromosomen
B. Genen liggen op hetzelfde chromosoom
C. Genen verdwijnen
D. Genen veranderen
Wat is recombinatie?
A. Verlies van genen
B. Kopiëren van genen
C. Nieuwe combinaties van allelen
D. Verandering van fenotype
Wat is genexpressie?
A. Het veranderen van DNA
B. Het aan- of uitzetten van genen
C. Het maken van chromosomen
D. Het splitsen van cellen
Wat is een modificatie?
A. Verandering in genotype
B. Verandering in fenotype door milieu
C. Verandering in chromosomen
D. Verandering in allelen