biologie

Toets Biologie – Thema 3 Genetica

Juist/Onjuist

  1. Het fenotype wordt alleen bepaald door het genotype.
  2. Een modificatie kan worden doorgegeven aan nakomelingen.
  3. Homologe chromosomen bevatten informatie over dezelfde eigenschappen.
  4. Een man heeft twee X-chromosomen.
  5. Bij een monohybride kruising wordt één eigenschap onderzocht.
  6. Een heterozygoot genotype bestaat uit twee gelijke allelen.
  7. Bij codominantie komen beide allelen volledig tot uiting.
  8. Een letale factor kan ervoor zorgen dat een organisme niet levensvatbaar is.
  9. Bij gekoppelde overerving worden genen onafhankelijk van elkaar doorgegeven.
  10. Eeneiige tweelingen hebben hetzelfde genotype.

Meerkeuzevragen

  1. Wat is het genotype?
    A. De zichtbare eigenschappen
    B. De erfelijke informatie
    C. De invloed van het milieu
    D. De leefomgeving

  2. Wat bepaalt het fenotype?
    A. Alleen het genotype
    B. Alleen het milieu
    C. Genotype en milieu samen
    D. Alleen voeding

  3. Hoeveel chromosomenparen heeft een mens?
    A. 22
    B. 23
    C. 46
    D. 44

  4. Wat zijn autosomen?
    A. Chromosomen voor geslacht
    B. Chromosomen zonder genen
    C. Chromosomen die niet het geslacht bepalen
    D. Alleen X-chromosomen

  5. Wat betekent homozygoot?
    A. Twee verschillende allelen
    B. Eén allel
    C. Twee gelijke allelen
    D. Geen allelen

  6. Wat is een dominant allel?
    A. Komt nooit tot uiting
    B. Komt alleen tot uiting bij twee dezelfde allelen
    C. Komt altijd tot uiting als het aanwezig is
    D. Komt alleen bij vrouwen voor

  7. Wat is een monohybride kruising?
    A. Kruising met twee eigenschappen
    B. Kruising met één eigenschap
    C. Kruising zonder genen
    D. Kruising van planten

  8. Wat is de fenotypeverhouding bij Hh × Hh?
    A. 1 : 1
    B. 2 : 1
    C. 3 : 1
    D. 4 : 0

  9. Wat is een testkruising?
    A. Kruising met dominant dier
    B. Kruising met heterozygoot dier
    C. Kruising met homozygoot recessief dier
    D. Kruising zonder schema

  10. Wat bepaalt het geslacht van een baby?
    A. De eicel
    B. De zaadcel
    C. Het milieu
    D. De leeftijd van ouders

  11. Wat bevat een eicel altijd?
    A. X of Y
    B. Alleen Y
    C. Alleen X
    D. Geen chromosoom

  12. Wat is X-chromosomale overerving?
    A. Overerving via autosomen
    B. Overerving via Y-chromosoom
    C. Overerving via X-chromosoom
    D. Overerving zonder genen

  13. Waarom komen X-gebonden aandoeningen vaker voor bij jongens?
    A. Ze hebben twee X-chromosomen
    B. Ze hebben één X-chromosoom
    C. Ze hebben geen genen
    D. Ze hebben meer DNA

  14. Wat zijn multipele allelen?
    A. Twee allelen
    B. Geen allelen
    C. Meer dan twee allelen
    D. Alleen recessieve allelen

  15. Wat is het genotype van bloedgroep 0?
    A. IAIB
    B. IAi
    C. ii
    D. IBi

  16. Wat gebeurt bij een letale factor?
    A. Gen verandert
    B. Organisme groeit sneller
    C. Organisme sterft vroeg
    D. Geen effect

  17. Wat is gekoppelde overerving?
    A. Genen liggen op verschillende chromosomen
    B. Genen liggen op hetzelfde chromosoom
    C. Genen verdwijnen
    D. Genen veranderen

  18. Wat is recombinatie?
    A. Verlies van genen
    B. Kopiëren van genen
    C. Nieuwe combinaties van allelen
    D. Verandering van fenotype

  19. Wat is genexpressie?
    A. Het veranderen van DNA
    B. Het aan- of uitzetten van genen
    C. Het maken van chromosomen
    D. Het splitsen van cellen

  20. Wat is een modificatie?
    A. Verandering in genotype
    B. Verandering in fenotype door milieu
    C. Verandering in chromosomen
    D. Verandering in allelen

Open vragen

  1. Leg het verschil uit tussen fenotype en genotype.
  2. Leg uit hoe het genotype van een kind ontstaat.
  3. Noem twee milieufactoren en leg hun invloed uit.
  4. Leg uit wat een modificatie is en waarom deze niet erfelijk is.
  5. Leg uit waarom recessieve eigenschappen soms verborgen blijven.
  6. Leg uit wat het verschil is tussen homozygoot en heterozygoot.
  7. Leg uit waarom jongens vaker X-chromosomale aandoeningen hebben.
  8. Leg uit wat een testkruising is en waarom je die gebruikt.
  9. Leg uit wat een letale factor is met een voorbeeld.
  10. Leg uit waarom eeneiige tweelingen toch verschillen kunnen krijgen.