biologie

Toets – Biologie HAVO

Thema: Voortplanting, Erfelijkheid en Ontwikkeling
Totaal: 70 punten


Deel 1 – Juist / Onjuist

Geef per vraag aan: Juist of Onjuist.
(1 punt per vraag — totaal 10 punten)

  1. Bij ongeslachtelijke voortplanting zijn alle nakomelingen genetisch identiek aan de ouder.
  2. Tijdens de S-fase van de celcyclus wordt van elk chromosoom een kopie gemaakt.
  3. Bij meiose ontstaan uit één diploïde cel uiteindelijk vier haploïde cellen.
  4. Bij planten ontstaat na bestuiving direct een embryo in het vruchtbeginsel.
  5. De hypofyse regelt de afgifte van FSH en LH in het bloed.
  6. Progesteron zorgt ervoor dat het baarmoederslijmvlies wordt afgebroken.
  7. Een zygote ondergaat klievingsdelingen zonder dat de cellen groeien.
  8. De placenta laat het bloed van moeder en kind direct met elkaar mengen.
  9. Bij volwassenen kunnen stamcellen nog steeds differentiëren tot gespecialiseerde cellen.
  10. Een condoom beschermt tegen zowel zwangerschap als soa’s.

Deel 2 – Meerkeuzevragen

Kies het beste antwoord A, B, C of D.
(2 punten per vraag — totaal 30 punten)

1. Ongeslachtelijke voortplanting

Een voordeel van klonen bij planten is dat:
A. de genetische variatie toeneemt
B. schadelijke eigenschappen worden versterkt
C. gunstige eigenschappen behouden blijven
D. chromosomen sneller delen

2. Celcyclus

Welke uitspraak klopt over chromatiden?
A. Chromatiden vormen zich tijdens de mitose.
B. Chromatiden zijn zichtbaar vóór de S-fase.
C. Chromatiden ontstaan nadat DNA is verdubbeld.
D. Chromatiden zijn twee volledig verschillende chromosomen.

3. Meiose

Wat gebeurt er tijdens meiose I?
A. Chromatiden worden uit elkaar getrokken.
B. Het aantal chromosomen per cel halveert.
C. Er ontstaan vier haploïde cellen.
D. Geslachtscellen versmelten tot een zygote.

4. Bevruchting

Waar vindt bij de mens de bevruchting plaats?
A. In de baarmoeder
B. In de eileider
C. In de eierstok
D. In de vagina

5. Planten – Voortplanting

Wat gebeurt er na bestuiving bij een bloem?
A. De stamper vormt stuifmeel.
B. De zygote groeit direct uit tot een plant.
C. De stuifmeelbuis groeit naar het zaadbeginsel.
D. Het zaad komt meteen vrij uit het vruchtbeginsel.

6. Menselijke voortplantingsorganen

Welke combinatie klopt?
A. Teelbal – ontwikkeling eicellen
B. Bijbal – opslag spermacellen
C. Zaadblaasje – productie urine
D. Eierstok – opslag zaadcellen

7. Hormonen

Welke hormoonfunctie is juist?
A. FSH veroorzaakt ovulatie.
B. LH stimuleert progesteronproductie door het gele lichaam.
C. Oestrogeen wordt alleen door mannen gemaakt.
D. Testosteron stopt de productie van spermacellen.

8. Menstruatiecyclus

Na de ovulatie…
A. daalt de progesteronproductie direct
B. blijft het gele lichaam progesteron produceren
C. stopt de hypofyse met het maken van LH
D. wordt het baarmoederslijmvlies direct afgestoten

9. Zwangerschap

Welke uitspraak klopt?
A. Tijdens klievingsdelingen groeien de cellen snel.
B. HCG wordt alleen in de laatste maanden gevormd.
C. De placenta zorgt voor uitwisseling van stoffen tussen moeder en embryo.
D. De navelstreng bevat geen bloedvaten.

10. Stamcellen

Welke eigenschap hoort bij embryonale stamcellen?
A. Ze zijn al volledig gespecialiseerd.
B. Ze kunnen tot elk celtype uitgroeien.
C. Ze komen alleen voor in spieren.
D. Ze delen zich vrijwel nooit.

11. Geboorte

Tijdens welke fase worden de vruchtvliezen meestal gebroken?
A. Indaling
B. Ontsluiting
C. Uitdrijving
D. Nageboorte

12. Puberteit

Wat is een kenmerk van adolescentie?
A. Ontwikkeling van primaire geslachtskenmerken
B. Lichamelijke groei stopt volledig
C. Geestelijke volwassenwording
D. Begin van de menstruatie

13. Soa’s

Welke soa wordt veroorzaakt door een virus?
A. Chlamydia
B. Gonorroe
C. Syfilis
D. Hiv-infectie

14. Anticonceptie

Wat is een nadeel van de pil?
A. De pil beschermt niet tegen soa’s
B. De pil voorkomt altijd de ovulatie
C. De pil heeft geen bijwerkingen
D. De pil veroorzaakt onvruchtbaarheid

15. Ethiek en vruchtbaarheid

Welke techniek vindt buiten het lichaam plaats?
A. Ovulatie
B. IVF
C. IUI
D. Meiose


Deel 3 – Open vragen

Beantwoord in volledige zinnen. Gebruik vaktermen waar nodig.
(3 punten per vraag — totaal 30 punten)

1. Ongeslachtelijke voortplanting

Leg uit waarom nakomelingen bij ongeslachtelijke voortplanting genetisch identiek zijn aan de ouder.

2. DNA-replicatie

Beschrijf wat er gebeurt tijdens de S-fase van de celcyclus en waarom dit nodig is.

3. Meiose en bevruchting

Leg uit waarom geslachtscellen haploïd moeten zijn en wat er gebeurt bij de bevruchting.

4. Stuifmeelbuis

Beschrijf de weg die een stuifmeelbuis aflegt na bestuiving tot aan de bevruchting.

5. Hormoonregeling

Leg uit hoe FSH en LH samen de menstruatiecyclus regelen.

6. Zwangerschap en embryo-ontwikkeling

Leg uit wat er gebeurt tijdens de innesteling en welke rol HCG speelt.

7. Stamcellen

Leg uit wat celdifferentiatie is en waarom embryonale stamcellen belangrijk zijn voor onderzoek.

8. Soa-preventie

Leg uit waarom een condoom zowel zwangerschap als soa’s kan voorkomen.

9. Anticonceptiemethoden

Vergelijk de werking van de pil met die van een spiraaltje.

10. Ethische dilemma’s

Noem één biologisch argument en één ethisch argument tegen het toepassen van IVF.


Antwoordenmodel

Deel 1 – Juist / Onjuist

  1. Juist
  2. Juist
  3. Juist
  4. Onjuist
  5. Juist
  6. Onjuist
  7. Juist
  8. Onjuist
  9. Juist
  10. Juist

Deel 2 – Meerkeuze

  1. C
  2. C
  3. B
  4. B
  5. C
  6. B
  7. B
  8. B
  9. C
  10. B
  11. B
  12. C
  13. D
  14. A
  15. B

Deel 3 – Open vragen

  1. Omdat bij ongeslachtelijke voortplanting geen versmelting van geslachtscellen plaatsvindt, ontstaat de nakomeling uit mitose van de ouder; hierdoor is het DNA identiek.
  2. Tijdens de S-fase wordt het DNA verdubbeld zodat beide dochtercellen dezelfde erfelijke informatie krijgen.
  3. Geslachtscellen moeten haploïd zijn zodat na versmelting bij bevruchting weer een diploïde zygote ontstaat.
  4. De stuifmeelbuis groeit vanaf de helmknop via de stijl naar het zaadbeginsel, waar de kern samensmelt met de eicel.
  5. FSH stimuleert de groei van de follikel en oestrogeenproductie; LH veroorzaakt ovulatie en houdt daarna het gele lichaam in stand.
  6. Bij innesteling hecht het embryo zich in het baarmoederslijmvlies; HCG houdt het gele lichaam in stand en voorkomt afbraak van het slijmvlies.
  7. Bij differentiatie ontwikkelen stamcellen zich tot gespecialiseerde cellen; embryonale stamcellen kunnen tot elk celtype worden.
  8. Een condoom vormt een fysieke barrière die sperma tegenhoudt en voorkomt dat besmette lichaamsvloeistoffen worden uitgewisseld.
  9. De pil voorkomt ovulatie door hormonale regulatie; het spiraaltje voorkomt innesteling van een embryo.
  10. Biologisch: risico op meerlingen, hormonale belasting.
    Ethisch: onnatuurlijk ingrijpen in voortplanting, religieuze of morele bezwaren.