paardrijden is fijn in de frisse lucht.
een paard heeft manen en een staart.
veel ruiters poetsen eerst hun paard.
daarna komt het zadel op de rug.
ook krijgt het paard een zacht bit.
met teugels stuur je links of rechts.
je zit recht en kijkt goed vooruit.
je benen geven soms een klein seintje.
een paard stapt vaak heel rustig weg.
daarna kan het dier gaan draven.
bij galop gaat alles nog veel sneller.
in een bak oefen je vaak met bocht.
soms rijd je buiten langs bos en wei.
dan hoor je vogels en voel je wind.
een helm past goed om je hoofd heen.
zo blijft paardrijden veiliger voor jou.
laarzen helpen bij steun in de beugel.
de beugel hangt aan beide riemen laag.
een rustige stem helpt ook bij sturen.
paarden leren veel door vaste herhaal.
ze kennen vaak hun ruiter erg goed.
een pony is klein maar vaak heel sterk.
jonge ruiters starten soms op een pony.
je leert dan remmen sturen en zitten.
ook leer je hoe je zorg geeft thuis.
water hooi en rust zijn heel erg goed.
na de les poets je vaak weer na.
zo blijft de vacht schoon en mooi glad.
sommige paarden zijn bruin of zwart.
andere dieren zijn wit grijs of bont.
elk paard heeft weer een eigen aard.
sommige zijn kalm en andere erg fel.
toch willen paarden vaak graag werken.
ze voelen goed hoe een mens beweegt.
daarom moet je zacht en helder zijn.
met geduld groeit vaak veel vertrouwen.
dan wordt elke rit nog meer een feest.
paardrijden vraagt moed kracht en rust.
veel mensen vinden het een mooie sport.
het is sport en zorg ineen elke dag.