k:8/l:30-40/r:40
Wolven leven vaak in een grote roedel.
In een roedel is een leider het sterkst.
De leider heet vaak de alfa wolf.
Wolven jagen samen op prooi in bos.
Ze eten vaak hert of ook wild zwijn.
Hun neus en oor zijn heel erg goed.
Daardoor vinden ze snel een prooi.
Wolven kunnen ook heel ver lopen.
Ze zoeken dan nieuw gebied voor rust.
In dat gebied maken ze hun hol.
Een hol is vaak goed verstopt in bos.
Welpen blijven daar veilig en warm.
De moeder zorgt goed voor haar welp.
De vader helpt met het zoeken naar prooi.
Welpen leren spelen en ook jagen.
Spel helpt hen om sterk te worden.
Wolven huilen vaak naar de maan.
Dat doen ze om met elkaar te praten.
Zo weet de groep waar elk lid is.
Een roedel werkt goed samen in jacht.
Dat maakt wolven slimme jagers samen.
In europa leven weer meer wolven.
Ook in ons land zijn ze soms te zien.
Dat is voor veel mensen heel nieuw.
Soms zijn er ook zorgen bij boeren.
Want wolven eten soms ook een schaap.
Daarom zijn er regels voor bescherming.
Wolven zijn een deel van de natuur.
Ze houden het aantal dieren in balans.
Zo blijft het bos gezond en sterk.
Wolven zijn niet vaak een gevaar mens.
Ze zijn meestal bang en gaan snel weg.
Als je er een ziet blijf dan rustig.
Hou afstand en laat de wolf met rust.
Wolven zijn mooi en ook heel sterk.
Hun vacht is dik en vaak grijs van kleur.
In winter houdt die vacht hen warm.
Wolven leven al heel lang op aarde.
Ze horen bij de familie van hond.